E N K E L V O U D I G E K A M E R 04/356 ANW U I T S P R A A K in het geding tussen: [appellant], wonende te [woonplaats] (Marokko), appellant, en de Raad van bestuur van de Sociale verzekeringsbank, gedaagde. I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING Met ingang van 1 januari 2003 zijn de artikelen 3, 4 en 5 van de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen, voorzover het betreft de Sociale verzekeringsbank in werking getreden. Thans oefent gedaagde de taken en bevoegdheden uit die tot genoemde datum werden uitgeoefend door de Sociale Verzekeringsbank. In deze uitspraak wordt onder gedaagde tevens verstaan de Sociale Verzekeringsbank. Namens appellant heeft zijn zoon, [naam zoon] wonende te Waalwijk, op daartoe bij beroepschrift aangevoerde gronden hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 13 januari 2004, nr. 02/4028 ANW, waarnaar hierbij wordt verwezen. Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend. Het geding is behandeld ter zitting van de Raad op 2 februari 2005, waar namens appellant is verschenen [naam zoon], voornoemd, en waar gedaagde zich heeft doen vertegenwoordigen door A. van Scherpenzeel, werkzaam bij de Sociale verzekeringsbank. II. MOTIVERING Appellant is op 1 juli 1934 geboren in Marokko en heeft in het verleden in Nederland gewoond en gewerkt. In of omstreeks 1979 is hij teruggekeerd naar Marokko, alwaar hij een Nederlandse arbeidsongeschiktheidsuitkering ontving. Gedaagde heeft met ingang van 1 juli 1999 een ouderdomspensioen ingevolge de Algemene Ouderdomswet (AOW) aan appellant toegekend. Bij brief van 27 december 2001 is namens appellant aan gedaagde verzocht om toelating tot de vrijwillige verzekering ingevolge de Algemene nabestaandenwet (ANW). Vervolgens heeft appellant een aanvraagformulier ingevuld, waarop onder meer is vermeld dat hij vanaf 1 juli 1999 een ouderdomspensioen vanuit België ontvangt. Bij besluit van 12 juni 2002 heeft gedaagde aan appellant bericht dat hij niet bevoegd is deel te nemen aan de vrijwillige verzekering ingevolge de ANW, omdat de verplichte verzekering krachtens die wet is geëindigd op 1 januari 2000 en aanmelding voor de vrijwillige verzekering binnen een jaar nadien had moeten geschieden. In het bezwaarschrift tegen dit besluit is aangevoerd dat een belangenbehartiger van appellant verzuimd heeft tijdig een verzoek om toelating tot de vrijwillige verzekering in te dienen. Bij beslissing op bezwaar van 29 augustus 2002, hierna: het bestreden besluit, heeft gedaagde de bezwaren van appellant ongegrond verklaard. Daarbij is overwogen dat appellant vanaf 1 juli 1999 niet langer verplicht verzekerd was ingevolge de ANW, omdat hij naast zijn AOW-pensioen een Belgisch ouderdomspensioen ontving, zodat hij reeds op deze grond niet bevoegd is deel te nemen aan de vrijwillige verzekering. De rechtbank heeft dit standpunt onderschreven. Namens appellant is in hoger beroep aangevoerd dat tot 1 januari 2000 sprake is geweest van verplichte verzekering ingevolge de ANW van appellant. De Raad overweegt het volgende. Tussen partijen is in deze procedure in geschil of gedaagde, op grond van artikel 63a van de ANW, terecht heeft geweigerd appellant vanaf 1 januari 2000 toe te laten tot de vrijwillige verzekering ingevolge de ANW. Artikel 63a van de ANW, luidde vanaf 1 januari 2000 tot 1 januari 2001, aldus: "
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.