02/5311 ALGEM U I T S P R A A K in het geding tussen: de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen , appellant, en [gedaagde], wonende te [woonplaats], gedaagde. I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING Met ingang van 1 januari 2002 is de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen in werking getreden. Ingevolge de Invoeringswet Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen treedt in dit geding de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) in de plaats van het Landelijk instituut sociale verzekeringen (Lisv). In deze uitspraak wordt onder appellant tevens verstaan het Lisv. Appellant heeft op de bij het aanvullend beroepschrift aangegeven gronden hoger beroep ingesteld tegen een door de rechtbank Zutphen op 23 september 2002 tussen partijen gewezen uitspraak, waarnaar hierbij wordt verwezen. Het geding is behandeld ter zitting van de Raad op 9 december 2004, waar namens appellant is verschenen mr. A. Ruis, werkzaam bij het Uwv, en waar gedaagde in persoon is verschenen, bijgestaan door mr. A. Bijlsma, werkzaam bij de Stichting Rechtsbijstand te Zwolle. II. MOTIVERING Gedaagde heeft op basis van een franchiseovereenkomst als wederverkoper voor VNU Tijdschriften B.V. te Hoofddorp, hierna: VNU Tijdschriften, gewerkt. Bij brief van 25 mei 2000 heeft VNU Tijdschriften gedaagde medegedeeld dat de franchiseovereenkomst met ingang van 30 november 2000 niet wordt verlengd. Gedaagde heeft vervolgens een uitkering ingevolge de Werkloosheidswet (WW) bij appellant aangevraagd. Bij besluit van 14 december 2000 heeft appellant gedaagde medegedeeld dat hij niet als werknemer in de zin van de WW wordt beschouwd. Gedaagde heeft laatstelijk geen verzekerde dienstbetrekking gehad omdat een gezagsverhouding ontbrak. Het tegen dit besluit gemaakte bezwaar is door appellant bij besluit van 9 oktober 2001 ongegrond verklaard. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het namens gedaagde tegen dit besluit van 9 oktober 2001 ingestelde beroep gegrond verklaard. Zij is van oordeel dat appellant onvoldoende onderzoek naar de van belang zijnde feiten en omstandigheden heeft verricht. Appellant heeft zijn oordeel voornamelijk gebaseerd op van VNU Tijdschriften afkomstige algemene gegevens alsmede op zijn besluit van 24 december 1998 (gericht aan VNU Tijdschriften) waarin werd medegedeeld dat met ingang van 1 januari 1999 geen verzekeringsplicht meer wordt aangenomen voor de franchisenemers. De algemene gegevens en het besluit van 24 december 1998 geven naar het oordeel van de rechtbank weliswaar een indicatie maar zijn onvoldoende expliciet om op basis daarvan zonder meer het standpunt te kunnen innemen dat gedaagde niet als werknemer in de zin van de WW kan worden aangemerkt. De rechtbank oordeelt dat het besluit van 9 oktober 2001 niet met de vereiste zorgvuldigheid is voorbereid en tevens niet (voldoende) deugdelijk is gemotiveerd, zodat het voor vernietiging in aanmerking komt wegens strijd met de artikelen 3:2 en 7:12, eerste lid, van de Awb. In hoger beroep heeft appellant het volgende aangevoerd. Bij besluit van 24 december 1998 is aan VNU Tijdschriften medegedeeld dat de wederverkopers niet meer verplicht verzekerd waren, van welk besluit de wederverkopers bij brief van 29 december 1998 een afschrift hebben ontvangen waarbij op de bezwaarmogelijkheid werd gewezen. Gedaagde heeft geen bezwaar gemaakt tegen het besluit van 29 december 1998, als gevolg waarvan dit besluit voor hem rechtens onaantastbaar is geworden. Appellant acht niet aannemelijk dat gedaagde niet op de hoogte zou zijn van de ook ten aanzien van hem genomen beslissing inzake de beëindiging van de verzekeringsplicht. Voorts voert appellant aan dat gedaagde appellant nooit heeft verzocht om terug te komen op het besluit van 29 december
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.