03/727 NABW U I T S P R A A K in het geding tussen: [appellante], wonende te [woonplaats], appellante, en het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Tilburg, gedaagde. I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING Namens appellante heeft mr. J.L. van Os, advocaat te Tilburg, hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank Breda van 24 december 2002, reg. nr. 02/597 NABW. Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend, nadere stukken ingezonden en een vraag beantwoord. Het geding is behandeld ter zitting van 25 januari 2005, waar appellante niet is verschenen en waar gedaagde zich heeft laten vertegenwoordigen door mr. C.J.C.J. Crombach, werkzaam bij de gemeente Tilburg. II. MOTIVERING De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden. Appellante ontvangt sedert 16 maart 2000 een uitkering ingevolge de Algemene bijstandswet (Abw) naar de norm voor een alleenstaande ouder. Bij besluit van 18 september 2001 heeft gedaagde het recht op bijstand van appellante over de periode van 1 april 2000 tot en met 31 januari 2001 herzien, de gemaakte kosten van bijstand over deze periode tot een bedrag van f 8.210,05 teruggevorderd en een boete van f 825,-- opgelegd. Bij besluit van 14 februari 2002 heeft gedaagde het bezwaar van appellante tegen het besluit van 18 september 2001 ongegrond verklaard. Hierbij heeft gedaagde de hoogte van de terugvordering nader vastgesteld op € 3.564,21 (ƒ 7.854,49) en de boete op € 363,--. Voor het overige heeft gedaagde het besluit van 18 september 2001 gehandhaafd. Gedaagde heeft aan het besluit ten grondslag gelegd dat uit onderzoek is gebleken dat appellante vanaf april 2000, zonder daarvan mededeling te doen aan gedaagde, van haar ex-echtgenoot onderhoudsbijdragen in natura heeft ontvangen die een waarde vertegenwoordigen van gemiddeld f 500,-- per maand. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het besluit van 14 februari 2002 ongegrond verklaard. Appellante heeft zich in hoger beroep tegen de aangevallen uitspraak gekeerd. Hierbij heeft zij aangevoerd dat de kleding en boodschappen die zij van haar ex-echtgenoot ontving als gift dienen te worden aangemerkt en dat deze goederen naar hun aard niet overeenkomen met uitkeringen tot levensonderhoud op grond van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek, zodat deze goederen niet kunnen worden beschouwd als inkomen, waarvan de waarde in mindering dient te worden gebracht op de bijstandsuitkering. De Raad komt tot de volgende beoordeling. Voor de van toepassing zijnde bepalingen verwijst de Raad naar de aangevallen uitspraak. Herziening en terugvordering De Raad is van oordeel dat op basis van de gedingstukken voldoende aannemelijk is geworden dat appellante ten tijde hier van belang regelmatig van haar ex-echtgenoot kleding voor de kinderen en boodschappen voor het gezin ontving. Deze goederen moeten worden aangemerkt als middelen in de zin van artikel 42 van de Abw. De goederen zijn niet te beschouwen als giften die op grond van artikel 44 van de Abw niet in aanmerking worden genomen. De Raad neemt daarbij in aanmerking dat de goederen volgens verklaringen van appellante en haar ex-echtgenoot bestemd waren om te voorzien in het levensonderhoud van het gezin van appellante. Gelet op het doel van deze verstrekkingen alsmede het periodieke karakter daarvan, komen deze naar hun aard overeen met uitkeringen tot levensonderhoud op grond van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek. Aangezien de middelen bovendien betrekking hebben op een periode waarover beroep op bijstand wordt gedaan, is sprake van inkomen in de zin van artikel 47, eerste lid, van de Abw, dat op grond van artikel 26, eerste lid, aanhef en onder a, van de Abw bij de bepaling van de hoogte van de bijstand dient te worden betrokken. De Raad is voorts met de rechtbank van oordeel dat gedaagde, daarbij toepassing gevend aan artikel 48, eerste lid, van de Abw, de waarde van het inkomen in natura terecht heeft vastgesteld op f 500,-- per maand. De Raad neemt daarbij in aanmerking dat zowel appellante als haar ex-echtgenoot hebben verklaard dat de goederen een waarde vertegenwoordigden van gemiddeld ongeveer f 500,-- per maand. Door gedaagde niet te informeren over de verkregen middelen van de ex-echtgenoot heeft appellante gehandeld in strijd met de op haar rustende inlichtingenverplichting bedoeld in artikel 65, eerste lid, van de Abw. Als gevolg van het niet melden van deze middelen heeft gedaagde aan appellante tot een te hoog bedrag bijstand verleend. Gedaagde was dan ook gehouden het recht op bijstand over de periode van 1 april 2000 tot en met 31 januari 2001 op grond van artikel 69, derde lid, aanhef en onder a, van de Abw te herzien en alsnog rekening te houden met deze middelen. Van dringende redenen op grond waarvan gedaagde bevoegd zou zijn om geheel of gedeeltelijk van herziening af te zien, is de Raad niet gebleken. Met het voorgaande is tevens gegeven dat is voldaan aan de voorwaarden voor toepassing van artikel 81, eerste lid, van de Abw, zodat gedaagde gehouden was tot terugvordering van de ten onrechte gemaakte kosten van bijstand over de periode van 1 april 2000 tot en met 31 januari
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.