E N K E L V O U D I G E K A M E R 02/6493 WAO U I T S P R A A K in het geding tussen: [appellante], wonende te [woonplaats], appellante, en de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, gedaagde. I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING Met ingang van 1 januari 2002 is de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen in werking getreden. Ingevolge de Invoeringswet Wet structuur uitvoerings-organisatie werk en inkomen treedt in dit geding de Raad van Bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) in de plaats van het Landelijk instituut sociale verzekeringen (Lisv). In deze uitspraak wordt onder gedaagde verstaan tevens het Lisv. Bij besluit van 22 november 2000 heeft gedaagde appellantes uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO), die werd berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%, met ingang van 15 december 2000 ingetrokken op grond van de overweging dat de mate van haar arbeidsongeschiktheid was afgenomen naar minder dan 15%. Bij besluit van 20 juli 2001 (hierna: het bestreden besluit) heeft gedaagde overwogen dat het besluit van 22 november 2000 op juiste medische gronden berust, doch dat rekening houdend met een uitlooptermijn van twee maanden + één dag de intrekking van de WAO-uitkering pas per 15 januari 2001 geëffectueerd kan worden. De rechtbank ’s-Hertogenbosch heeft het beroep van appellante tegen het bestreden besluit bij uitspraak van 15 november 2002, nr. AWB 01/2085, ongegrond verklaard. Tegen deze uitspraak heeft appellante hoger beroep ingesteld op door haar gemachtigde mr. W.J. Sleegers, advocaat te Someren, bij beroepschrift (met bijlagen) van 19 december 2002 aangevoerde gronden. Gedaagde heeft op 10 februari 2003 een verweerschrift ingediend. Bij brief van 20 februari 2004 heeft mr. Sleegers, voornoemd, informatie van de behandelend psycholoog drs. P.H.W.M. Peeters d.d. 18 mei 2003 in het geding gebracht. Gedaagde heeft nog een aanvullende rapportage (met bijlagen) van de bezwaararbeids-deskundige A.A.J. Kamp d.d. 10 december 2003 aan de Raad gestuurd. Het geding is behandeld ter zitting van de Raad, gehouden op 4 februari 2005, waar appellante in persoon is verschenen, bijgestaan door mr. Sleegers, voornoemd, en waar gedaagde zich heeft laten vertegenwoordigen door P.M.W. van der Helm, werkzaam bij het Uwv. II MOTIVERING In dit geding ligt de vraag ter beantwoording voor of de intrekking van appellantes uitkering krachtens de WAO ingaande 15 januari 2001, in rechte stand kan houden. Appellante heeft in hoger beroep aangevoerd dat haar fysieke en geestelijke gezondheid met betrekking tot de referteperiode absoluut verkeerd is beoordeeld waardoor zij ten onrechte in staat is geacht nog enige werkzaamheden te kunnen verrichten. Appellante heeft er op gewezen dat zij sinds 29 januari 2002 volledig arbeidsongeschikt is geacht ten gevolge van dezelfde -verergerde- klachten, waarvoor in januari 2002 een operatie noodzakelijk was. Ten slotte heeft appellante gewezen op de informatie van de behandelend psycholoog d.d. 18 mei
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.