02/6378 WAO U I T S P R A A K in het geding tussen: [appellante], wonende te [woonplaats], appellante, en de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, gedaagde. I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING Met ingang van 1 januari 2002 is de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen in werking getreden. Ingevolge de Invoeringswet Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen treedt in dit geding de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) in de plaats van het Landelijk instituut sociale verzekeringen (Lisv). In deze uitspraak wordt onder gedaagde tevens verstaan het Lisv. Namens appellante heeft mr. L.J. van der Veen, advocaat te Groningen, op bij het beroepschrift aangevoerde gronden hoger beroep ingesteld tegen de door de rechtbank Groningen onder dagtekening 11 november 2002 tussen partijen gegeven uitspraak (reg. nr.: Awb 01/898 WAO), waarnaar hierbij wordt verwezen. Gedaagde heeft bij schrijven van 19 februari 2003 (met bijlage) van verweer gediend. Het geding is behandeld ter zitting van de Raad, gehouden op 11 februari 2005, waar appellante is verschenen bij haar gemachtigde mr. Van der Veen, voornoemd, en waar gedaagde zich heeft laten vertegenwoordigen door H.A.L. Knoben, werkzaam bij het Uwv. II. MOTIVERING Appellante, geboren [in] 1958, is sinds 1 augustus 1992 gedurende 32 uur per week als groepsleerkracht in het basisonderwijs werkzaam geweest. Per 24 mei 1996 heeft zij haar werkzaamheden met diverse klachten gestaakt na een haar overkomen ongeval, waarbij zij met haar auto van achteren werd aangereden. Op een aanvraag om een zogeheten WAO-conforme uitkering heeft gedaagde bij besluit van 15 mei 1997 afwijzend beslist, omdat appellante de wettelijke wachttijd van 52 weken arbeidsongeschiktheid niet had vervuld. Tegen dit besluit heeft appellante geen bezwaar gemaakt. Op 22 november 1999 heeft appellante zich vanuit een wachtgeldsituatie andermaal arbeidsongeschikt gemeld met nek/schouderklachten, duizeligheid en evenwichtsstoornissen en om die reden gedaagde verzocht haar in aanmerking te brengen voor een uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO). Gedaagde heeft op dit verzoek bij besluit van 2 april 2001 afwijzend beslist door appellante met ingang van 20 november 2000 niet in aanmerking te brengen voor een WAO-uitkering. Daaraan is ten grondslag gelegd dat appellante niet gedurende 52 weken arbeidsongeschikt is geweest, omdat haar verzuim geen verband houdt met ziekte of gebrek. Bij het thans bestreden besluit van 20 november 2001 heeft gedaagde dit besluit gehandhaafd met een aan een rapport van 16 november 2001 van de bezwaarverzekeringsarts J.L. Waasdorp ontleende motivering: “Nee, er is géén sprake van een dusdanig samenhangend en consistent geheel aan beperkingen, stoornissen en arbeidshandicaps, dat dit als uiting van ziekte zou kunnen worden beschouwd. Er is sprake van een andere samenhang van belemmeringen, niet als uiting van ziekte, als verklaring voor de arbeidsongeschiktheid, op grond waarvan géén WAO-uitkering kan worden toegekend.” Dit oordeel heeft de bezwaarverzekeringsarts gevormd na kennisneming van de omtrent appellante beschikbare medische gegevens, waaronder een rapport van 30 januari 1998 van de zenuwarts/neuroloog/psychiater C. Kemperman, een rapport van 24 januari 2001 van de zenuwarts J.M.E. van Zandvoort en een rapport van 22 december 2000 van de zenuwarts dr. H.L.S.M. Busard. De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak als haar oordeel gegeven dat doorslaggevende betekenis moet worden toegekend aan de rapporten van Kemperman en Van Zandvoort en daaraan de gevolgtrekking verbonden dat gedaagde terecht aan appellante geen arbeidsongeschiktheidsuitkering heeft toegekend, omdat zij voor haar eigen werk geschikt moet worden geacht. Het bestreden besluit is door de rechtbank in stand gelaten. In hoger beroep heeft appellante aangevoerd dat gedaagde van een te beperkte opvatting van het begrip ‘stoornis’ is uitgegaan. Gedaagde heeft zich geschaard achter het bij rapport van 17 februari 2002 van de medisch adviseur M.Th.L.W. Boersma ingenomen standpunt, dat bij appellante sprake is van een in de loop van de tijd ontwikkeld afwijkend gedrags- en reactiepatroon, waarbij onvrede, onwelbevinden en spanningen, leidend tot een energievretende levenswijze die door gewoontevorming vrijwel onomkeerbaar lijkt, kernbegrippen zijn. Het mag duidelijk zijn, aldus deze medisch adviseur, dat het geschetste patroon afwijkt van het gebruikelijk functioneren. Er is geen reden om aan te nemen dat hiervoor een lichamelijke aandoening als verklaring aanwezig is. Evenmin is er sprake van een psychisch ziektebeeld in engere zin of een duidelijke persoonlijkheidsstoornis. Ingevolge artikel l8 van de WAO is - voor zover in dit verband van belang - bepaald dat arbeidsongeschikt is degene die als rechtstreeks en objectief medisch vast te stellen gevolg van ziekte of gebreken niet in staat is om met arbeid te verdienen hetgeen gezonde personen met soortgelijke opleiding en ervaring met arbeid gewoonlijk verdienen. Naar vaste rechtspraak van de Raad dient dit artikel aldus uitgelegd te worden dat slechts sprake is van arbeidsongeschiktheid als een verzekerde op medische gronden naar objectieve maatstaven gemeten de in aanmerking komende arbeid niet kan of mag verrichten. Voorts is in de jurisprudentie van de Raad tot uitdrukking gebracht dat in bijzondere gevallen kan worden aangenomen dat aan laatstgenoemde eis is voldaan, ook al is niet geheel duidelijk aan welke ziekte of aan welk gebrek het onvermogen om arbeid te verrichten valt toe te schrijven. In die bijzondere gevallen stelt de Raad dan wel als (minimum) eis dat bij de (onafhankelijke) medische deskundigen een vrijwel eenduidige, consistente en naar behoren medisch gemotiveerde en verantwoorde opvatting bestaat dat de verzekerde als gevolg van ziekte of gebrek niet in staat is de desbetreffende arbeid te verrichten. Hieruit volgt dat voor het aannemen van een dergelijk bijzonder geval niet is vereist dat de hiervoor genoemde (onafhankelijk) medische deskundigen het eens zijn over het antwoord op de vraag aan welke ziekte of gebrek het onvermogen om arbeid te verrichten valt toe te schrijven, zoals onder meer kan blijken uit de uitspraken van de Raad, gepubliceerd in RSV 2000/226 en RSV 2000/
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.