03/543 NABW U I T S P R A A K in het geding tussen: [appellante], wonende te [woonplaats], appellante, en het College van burgemeester en wethouders van de gemeente ’s-Gravenhage, gedaagde. I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING Met ingang van 1 januari 2004 heeft gedaagde het besluit tot delegatie van zijn bevoegdheid tot het nemen van besluiten op bezwaar aan de Commissie Sociale Zekerheid ingetrokken. In deze uitspraak wordt onder gedaagde tevens verstaan de Commissie Sociale Zekerheid. Namens appellante heeft mr. S. de Kluiver, advocaat te ’s-Gravenhage, hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank ’s-Gravenhage van 9 december 2002, reg.nr. 02/01768 ABW. Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend. Het geding is behandeld ter zitting van 18 januari 2005, waar appellante niet is verschenen en waar gedaagde zich heeft laten vertegenwoordigen door mr. K.H. van Bolhuis, werkzaam bij de gemeente ’s-Gravenhage. II. MOTIVERING De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden. Sedert 30 december 1999 hebben appellante en haar echtgenoot [naam echtgenoot] (hierna: [naam echtgenoot]) een uitkering ingevolge de Algemene bijstandswet (Abw) naar de norm voor gehuwden ontvangen. In september 2000 is [naam echtgenoot] met onbekende bestemming vertrokken waarna de bijstandsverlening aan appellante met ingang van 23 september 2000 naar de norm voor een alleenstaande ouder is voortgezet. Uit informatie van de belastingdienst is gedaagde gebleken dat [naam echtgenoot] over de periode van 24 november 1999 tot en met 14 juli 2000 inkomsten uit werkzaamheden heeft genoten die hij niet aan gedaagde heeft opgegeven. Bij besluit van 20 juni 2001 heeft gedaagde het recht op bijstand van appellante met ingang van 1 december 1999 tot en met 13 juli 2000 met toepassing van artikel 69, derde lid, van de Abw herzien en de kosten van de over die periode verleende bijstand tot een bedrag van f 12.404,05 met toepassing van artikel 81, eerste lid, van de Awb van appellante teruggevorderd. Bij besluit van eveneens 20 juni 2001 heeft gedaagde het besluit van diezelfde dag gecorrigeerd met dien verstande dat de ingangsdatum van de herziening en terugvordering nadien op 30 december 1999 is gesteld. Bij besluit van 22 maart 2002 heeft gedaagde het bezwaar tegen het besluit van 20 juni 2001 ongegrond verklaard. Aan de terugvordering heeft gedaagde behalve artikel 81, eerste lid, van de Abw, ook artikel 84, eerste en derde lid, van de Abw ten grondslag gelegd. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het besluit van 22 maart 2002 ongegrond verklaard. Appellante heeft zich in hoger beroep tegen deze uitspraak gekeerd. Zij heeft aangevoerd dat zij niet wist dat [naam echtgenoot] werkzaamheden verrichtte en dat aan haar nooit een inlichtingenverplichting is opgelegd. Daarnaast heeft zij een beroep gedaan op het arrest van de Hoge Raad van 1 december 1995, gepubliceerd in RvdW 1995/
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.