03/5079 ALGEM U I T S P R A A K in het geding tussen: de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, appellant, en [gedaagde], handelend onder de naam [naam bedrijf], wonende te [woonplaats], gedaagde. I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING Appellant heeft op bij aanvullend beroepschrift aangevoerde gronden hoger beroep ingesteld tegen de door de rechtbank ’s-Gravenhage op 12 september 2003, kenmerk 02/2739, tussen partijen gewezen uitspraak. Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend. Het geding is behandeld ter zitting van de Raad op 3 februari 2005, waar appellant zich heeft doen vertegenwoordigen door mr. J. Buur, werkzaam bij het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen. Gedaagde heeft zich doen vertegenwoordigen door mr. C.J. Visser, advocaat te Rotterdam, en [naam directeur], directeur van [bedrijfsnaam 2]bedrijf 2] B.V.. II. MOTIVERING Begin 2001 heeft appellant een periodieke looncontrole doen uitvoeren bij [naam bedrijf 2] B.V. (hierna: [bedrijfsnaam 2] B.V.), een onderneming die zich onder de naam [naam bedrijf 2] Journalistiek bezig houdt met dienstverlening op het gebied van journalistiek en communicatie. Tot mei 1997 werd de onderneming gevoerd in de vorm van een vennoot-schap onder firma. Naar aanleiding van deze controle is een onderzoek ingesteld naar de verzekeringsplicht van de voor deze onderneming werkzame freelance journalisten en redactiemedewerkers. In het kader van dit onderzoek is onder meer gesproken met Hermsen. Bij besluiten van 3 juli 2001 heeft appellant genoemde freelancers met ingang 1 april 1996 (Vof [naam bedrijf 2]: hierna Vof [bedrijfsnaam 2]) en 1 januari 1998 ([bedrijfsnaam 2] B.V.) verzekeringsplichtig geacht op grond van artikel 3 van de sociale werknemersverzekeringswetten. Gedaagde is in de in geding zijnde periodes als freelance journaliste voor beide ondernemingen werk-zaam geweest. Appellant heeft het tegen deze besluiten door gedaagde gemaakte bezwaar bij besluit van 10 juni 2002 ongegrond verklaard. Bij de aangevallen uitspraak, voorzover hier van belang, heeft de rechtbank - met bepalingen betreffende proceskosten en griffierecht - het beroep van gedaagde gegrond verklaard, het besluit van 10 juni 2002 vernietigd, het bezwaar alsnog gegrond verklaard en het primaire besluit herroepen. Daarbij heeft zij ten aanzien van de ontvankelijkheid van het bezwaar overwogen dat de datum van verzending van het primaire besluit geldt als datum van bekendmaking, zodat sprake is van termijnoverschrijding, maar dat deze overschrijding wel verschoonbaar is. Met betrekking tot de verzekeringsplicht is de rechtbank tot het oordeel gekomen dat niet is voldaan aan het criterium dat sprake is van een gezagsverhouding. In hoger beroep heeft appellant het oordeel van de rechtbank gemotiveerd bestreden. Appellant is van mening dat het bezwaar van gedaagde niet-ontvankelijk had dienen te worden verklaard omdat geen sprake is van een verschoonbare termijnoverschrijding. Subsidiair stelt appellant dat voldaan wordt aan alle essentiële kenmerken van een privaatrechtelijke dienstbetrekking. In verweer is namens gedaagde aangevoerd dat zij ontvankelijk moet worden geacht in haar bezwaar omdat de besluiten van 3 juli 2001 pas op 19 september 2001 aan haar bekend zijn gemaakt. Wat betreft de verzekeringsplicht kan gedaagde zich vinden in de aangevallen uitspraak. De Raad stelt in de eerste plaats vast dat ingevolge artikel 8:7, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) de rechtbank Amsterdam bevoegd was het beroep te behandelen, nu gedaagde haar woonplaats in Amsterdam had. Gedaagde heeft in een gezamenlijk beroepschrift met Vof [bedrijfsnaam 2] en [bedrijfsnaam 2] B.V. beroep ingesteld bij de recht-bank ’s-Gravenhage, welke ingevolge voornoemde bepaling bevoegd was de inleidende beroepen van die ondernemingen met als vestigingsplaats Leiden te behandelen. In de gegeven omstandigheden ziet de Raad aanleiding om met toepassing van artikel 28 van de Beroepswet de onbevoegdheid van de rechtbank ’s-Gravenhage voor gedekt te verklaren en de uitspraak als bevoegdelijk gedaan aan te merken. Met betrekking tot de ontvankelijkheid van het bezwaar overweegt de Raad als volgt. De primaire besluiten zijn op 3 juli 2001 door toezending bekend gemaakt aan de geadresseerden, [bedrijfsnaam 2] B.V. en Vof [bedrijfsnaam 2]. Gedaagde, die als pretense werkneemster onmiskenbaar belang heeft bij een besluit over het al dan niet verzekerd zijn op grond van haar werkzaamheden voor de pretense werkgeefsters, is eerst op 19 september 2001 door de ontvangst van een kopie van [bedrijfsnaam 2] B.V. bekend geraakt met de primaire besluiten. Naar het oordeel van de Raad is eerst op deze datum sprake van bekendmaking van de primaire besluiten aan gedaagde op de in artikel 3:41 van de Awb voorgeschreven wijze. Dit brengt mee dat ingevolge artikel 6:8 van de Awb de termijn voor het indienen van bezwaar voor gedaagde niet op 4 juli 2001 (de dag na bekendmaking van de besluiten van 3 juli 2001 aan de pretense werkgeefsters) is aangevangen, maar eerst op 20 september 2001, zijnde de dag na de toezending van de besluiten aan gedaagde door een van de pretense werkgeefsters. Nu het bezwaarschrift, dat is gedateerd op 26 oktober 2001, op 31 oktober 2001 bij appellant is ontvangen, komt de Raad tot de slotsom dat gedaagde tijdig bezwaar heeft gemaakt tegen de besluiten van 3 juli
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.