E N K E L V O U D I G E K A M E R 03/4439 CSV U I T S P R A A K in het geding tussen: [appellante], gevestigd te [vestigingsplaats], appellante, en de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, gedaagde. I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING Met ingang van 1 januari 2002 is de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen in werking getreden. Ingevolge de Invoeringswet Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen treedt in dit geding de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) in de plaats van het Landelijk instituut sociale verzekeringen (Lisv). In deze uitspraak wordt onder gedaagde tevens verstaan het Lisv. Bij besluit van 16 juli 2002 heeft gedaagde ongegrond verklaard de bezwaren van appellante tegen het besluit van 28 december 2001, waarbij zij op grond van artikel 16a van de Coördinatiewet Sociale Verzekering (CSV) hoofdelijk aansprakelijk is gesteld voor door [naam B.V.] te [vestigingsplaats] (hierna: [naam B.V.]) in 1998 verschuldigde premies voor de sociale werknemersverzekeringswetten. De rechtbank Breda heeft bij uitspraak van 25 juli 2003, registratienummer 02/1573, het namens appellante tegen dat besluit ingestelde beroep ongegrond verklaard. Namens appellante is mr. L.L.J. Uijtdewilligen, belastingadviseur te Roosendaal, op bij beroepschrift (met bijlagen) aangevoerde gronden van die uitspraak bij de Raad in hoger beroep gekomen. Gedaagde heeft een verweerschrift, gedateerd 29 oktober 2003, ingediend. Het geding is behandeld ter zitting van de Raad, gehouden op 4 februari 2005, waar appellante - zoals aangekondigd - zich niet heeft laten vertegenwoordigen en waar voor gedaagde is verschenen mr. R. Hofland, werkzaam bij het Uwv. II. MOTIVERING In 1998 hebben werknemers van [naam B.V.] werkzaamheden verricht voor appellante. [naam B.V.] - inmiddels gefailleerd - is in gebreke gebleven bij de afdracht van premies voor de sociale werknemersverzekeringen. Afgaande op verkregen inlichtingen bij een bedrijfsbezoek op 22 mei 2001 van de directeur, de administratrice en de grootaandeelhouder van appellante heeft gedaagde de relatie tussen appellante en [naam B.V.] gekwalificeerd als inlening van personeel. Bij besluit van 28 december 2001 is appellante op grond van artikel 16a van de CSV hoofdelijk aansprakelijk gesteld voor de door [naam B.V.] in verband met door haar werknemers voor appellante verrichte werkzaamheden verschuldigde premies ten bedrage van € 14.920,75 (f 32.881,00), welk besluit gedaagde heeft gehandhaafd bij het bestreden besluit van 16 juli
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.