03/2675 ZW U I T S P R A A K in het geding tussen: [appellant] , wonende te [woonplaats], appellant, en de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, gedaagde. I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING Met ingang van 1 januari 2002 is de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen in werking getreden. Ingevolge de Invoeringswet Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen treedt in dit geding de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) in de plaats van het Landelijk instituut sociale verzekeringen (Lisv). In deze uitspraak wordt onder gedaagde tevens verstaan het Lisv. Bij besluit van 28 maart 2002, hierna: het bestreden besluit, heeft gedaagde het door appellant gemaakte bezwaar tegen een besluit van 14 december 2001 ongegrond verklaard, waarbij het standpunt is ingenomen dat aan appellant in verband met zijn ziekmelding op 9 november 2001 geen uitkering ingevolge de Ziektewet (ZW) wordt toegekend omdat hij op en na die datum niet wegens ziekte of gebrek ongeschikt wordt geacht tot het verrichten van zijn arbeid. De rechtbank Utrecht heeft bij uitspraak van 17 april 2003, nummer SBR 02/982, het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. Namens appellant heeft mr. E.D.B. Groeneweg, advocaat te Utrecht, tegen die uitspraak hoger beroep ingesteld en nadien - onder overlegging van enkele bijlagen - de gronden van het hoger beroep nader aangevuld. Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend en desgevraagd nadere stukken ingezonden. Het geding is behandeld ter zitting van de Raad op 3 maart 2005, waar appellant en zijn voornoemde gemachtigde niet zijn verschenen en waar namens gedaagde is verschenen mr A.E.M. Kuppens, werkzaam bij het Uwv. II. MOTIVERING De feiten die in de aangevallen uitspraak zijn vermeld, worden door partijen niet betwist en vormen ook voor de Raad het uitgangspunt bij zijn oordeelsvorming. De Raad voegt daaraan nog het volgende toe. Het besluit van 14 december 2001 berust op het oordeel van de verzekeringsarts J. Klok dat de psychische klachten van appellant hetzelfde zijn als ten tijde van de herziening van zijn uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO), naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 15 tot 25%. Deze vond plaats met ingang van 1 oktober
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.