03/5184 WAO UITSPRAAK in het geding tussen: [appellant], h.o.d.n. [naam bedrijf], wonende te [woonplaats], appellant, en de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, gedaagde. I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING Met ingang van 1 januari 2002 is de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen in werking getreden. Ingevolge de Invoeringswet Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen treedt in dit geding de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) in de plaats van het Landelijk instituut sociale verzekeringen (Lisv). In deze uitspraak wordt onder gedaagde tevens verstaan het Lisv. Namens appellant is door mr. M.H. Feiken, advocaat te Tilburg, hoger beroep ingesteld tegen de op 9 September 2003, onder nummer 02/1182, tussen partijen gewezen uitspraak van de rechtbank Arnhem. Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend. Appellants standpunt is bij brief van 6 januari 2005 nader toegelicht. Het geding is ter behandeling aan de orde gesteld ter zitting van de Raad, gehouden op 20 januari 2005, alwaar partijen, zoals aangekondigd, niet zijn verschenen. II. MOTIVERING Bij besluit van 21 September 1999 heeft gedaagde ingaande 4 oktober 1999 aan [betrokkene] (verder te noemen: betrokkene) een uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) toegekend. Tegen die toekenning heeft appellant bezwaar gemaakt en na ongegrondverklaring van dat bezwaar beroep ingesteld. Vervolgens heeft hij berust in de ongegrondverklaring van het beroep door de rechtbank Arnhem. Bij besluit van 26 november 2001 heeft gedaagde aan appellant de voor 2002 verschuldigde gedifferentieerde WAO-premie medegedeeld. Bij de berekening van die premie is onder meer rekening gehouden met de aan betrokkene toegekende WAO-uitkering. Bij besluit op bezwaar van 26 april 2002 (het bestreden besluit) is het bezwaar tegen het besluit van 26 november 2001 ongegrond verklaard. De rechtbank heeft het beroep ongegrond verklaard, daarbij onder meer overwegende dat er geen aanleiding bestaat artikel 4, vijfde lid, van het Besluit premiedifferentiatie WAO (verder te noemen: het Besluit) wegens strijd met de door appellant ingeroepen bepalingen van nationaal en internationaal recht buiten toepassing te laten. Het feit dat de oorzaak van de arbeidsongeschiktheid van betrokkene zou kunnen worden gevonden in zwangerschap of bevalling doet volgens de rechtbank niet ter zake. Appellant meent dat artikel 4, vijfde lid, van het Besluit ten onrechte geen onderscheid maakt tussen arbeidsongeschiktheidsuitkeringen in verband met ziekte of gebrek welke voortvloeien uit complicaties ten gevolge van zwangerschap of bevalling en arbeidsongeschiktheidsuitkeringen in verband met ziekte of gebrek uit andere oorzaak. Het doorberekenen van WAO-uitkeringen die zijn toegekend op grond van arbeidsongeschiktheid als gevolg van (complicaties bij) zwangerschap of bevalling is volgens appellant nadelig voor vrouwen, wat tot gevolg heeft dat werkgevers sneller geneigd zullen zijn mannen in dienst te nemen dan vrouwen. In dat verband heeft appellant een beroep gedaan op het bepaalde in artikel 1 Grondwet, artikel 5 Algemene Wet Gelijke Behandeling, artikel 7:646 BW, artikel 11 van het VN-Vrouwenverdrag, artikel 1 van het Aanvullend Protocol van 5 mei 1988 bij het Europees Sociaal Handvest, artikel 3 van Richtlijn 76/207/EEG, Richtlijn 2000/78/EG, artikel 26 van het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten, ILO-Conventie 103, ILO-Conventie 111 en ILO-Conventie
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.