03/5047 AOW U I T S P R A A K in het geding tussen: [appellant], wonende te [woonplaats], appellant, en de Raad van bestuur van de Sociale verzekeringsbank, gedaagde. I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING Met ingang van 1 januari 2003 zijn de artikelen 3, 4 en 5 van de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen, voorzover het betreft de Sociale verzekeringsbank in werking getreden. Thans oefent gedaagde de taken en bevoegdheden uit die tot genoemde datum werden uitgeoefend door de Sociale Verzekeringsbank. In deze uitspraak wordt onder gedaagde tevens verstaan de Sociale Verzekeringsbank. Appellant heeft op daartoe bij beroepschrift aangevoerde gronden hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank ’s-Gravenhage van 11 september 2003, nr. 03/135 AOW, waarnaar hierbij wordt verwezen. Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend. Vervolgens heeft gedaagde bij brief van 27 augustus 2004 enige vragen van de Raad beantwoord. Het geding is behandeld ter zitting van de Raad op 25 maart 2005, waar appellant niet is verschenen en waar gedaagde zich heeft doen vertegenwoordigen door J.Y. van den Berg, werkzaam bij de Sociale verzekeringsbank. II. MOTIVERING Appellant, die op 7 oktober 1936 is geboren, heeft in mei 2001 een aanvraag om een ouderdomspensioen ingevolge de Algemene Ouderdomswet (AOW) ingediend bij gedaagde. Daarbij heeft appellant aangegeven dat hij vanaf zijn 15e verjaardag in Nederland heeft gewoond en dat hij van 1 januari 1984 tot en met 30 april 1993 werkzaam is geweest bij Shape Technical Centre (hierna: Shape), een onderdeel van de NAVO, te ’s-Gravenhage. Blijkens een door appellant overgelegde verklaring van Shape was appellant tijdens dit dienstverband vrijgesteld van premiebetaling ingevolge de volksverzekeringen. Bij besluit van 19 juli 2001 heeft gedaagde met ingang van 1 oktober 2001 een ouderdomspensioen ingevolge de AOW aan appellant toegekend ter hoogte van 82% van het pensioen voor een gehuwde. Daarbij heeft gedaagde het tijdvak van 1 januari 1984 tot en met 30 april 1993, waarin appellant werkzaam is geweest bij Shape, aangemerkt als een niet verzekerde periode ingevolge de AOW. In de bezwaarfase heeft appellant aangevoerd dat hij ervan uitgegaan is dat de vrijstelling van premiebetaling voor de volksverzekeringen niet zou leiden tot een korting op zijn AOW-pensioen. Tevens heeft appellant verzocht om toepassing van een hardheidsclausule. Uit een brief van NAVO Consultation, Command and Control Agency van 11 september 2002, blijkt dat appellant geen recht heeft op een ouderdomspensioen krachtens het “NAVO Pension Scheme”. Bij beslissing op bezwaar van 11 december 2002 (hierna: het bestreden besluit) heeft gedaagde de bezwaren van appellant ongegrond verklaard. Gedaagde heeft daarbij overwogen dat de omstandigheid dat geen pensioenrechten zijn opgebouwd ingevolge het NAVO pensioenstelsel niet tot gevolg kan hebben dat in strijd met de dwingend wettelijke bepalingen van de AOW geen korting wordt toegepast over de periode waarin appellant werkzaam is geweest bij Shape. De rechtbank heeft dit standpunt in de aangevallen uitspraak onderschreven. In hoger beroep heeft appellant verzocht de korting op zijn AOW-pensioen te verlagen, omdat hij vanaf zijn 14e jaar werkzaam is geweest. Voorts heeft gedaagde nadere informatie van Shape overgelegd, waaruit blijkt dat appellant tijdens zijn dienstverband bij Shape premies heeft betaald voor een ouderdomspensioen, maar dat hij geen aanspraak kan maken op een ouderdomspensioen omdat hij niet gedurende de drempeltijd van 10 jaar verzekerd is geweest krachtens die verzekering. Daarom zijn de door appellant opgebouwde pensioenrechten bij het einde van het dienstverband aan appellant uitbetaald. De Raad overweegt het volgende. Voorop moet worden gesteld dat het ouderdomspensioen ingevolge de AOW gebaseerd is op een maximale verzekeringsduur van 50 jaar gedurende het tijdvak vanaf de 15e tot de 65e verjaardag van een betrokkene. Het feit dat appellant reeds vanaf zijn 14e levensjaar werkzaam is geweest kan derhalve niet leiden tot een langere verzekerde periode ingevolge de AOW, aangezien daarvoor slechts tijdvakken vanaf de 15e verjaardag van belang zijn. Daarbij wijst de Raad er nog op dat appellant door gedaagde slechts gedurende het tijdvak van 1 januari 1984 tot en met 30 april 1993 niet verzekerd wordt geacht. Ingevolge artikel 2, eerste lid, onder g, van het Besluit uitbreiding en beperking kring verzekerden volksverzekeringen van 19 oktober 1976, Stb. 557 (hierna: KB 557) en artikel 13, eerste en tweede lid, van het Besluit uitbreiding en beperking kring verzekerden volksverzekeringen 1989, van 3 mei 1989, Stb. 164 (hierna: KB 164), is niet verzekerd ingevolge – onder meer – de AOW degene die in dienst is van een volkenrechtelijke organisatie en op wie de sociale-verzekeringsregeling (inzake onder meer ouderdom) van die organisatie van toepassing is. Voorts is blijkens de beschikkingen van 31 maart 1980, Stcrt. 131, en 21 augustus 1991, Stcrt. 167, de Noordatlantische Verdragsorganisatie aangewezen als een volkenrechtelijke organisatie als bedoeld in respectievelijk KB 557 en KB
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.