02/3240 ZW + 04/2198 ZW U I T S P R A A K in het geding tussen: [adres], wonende te [woonplaats], appellant, en de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, gedaagde. I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING Met ingang van 1 januari 2002 is de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen in werking getreden. Ingevolge de Invoeringswet Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen treedt in dit geding de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) in de plaats van het Landelijk instituut sociale verzekeringen (Lisv). In deze uitspraak wordt onder gedaagde tevens verstaan het Lisv. Namens appellant heeft mr. A.L. Kuit, advocaat te Rotterdam, op bij aanvullend beroepschrift ingediende gronden, hoger beroep ingesteld tegen een door de rechtbank Rotterdam op 7 mei 2002, onder reg. nr. ZW 01/2566, tussen partijen gegeven uitspraak, waarnaar hierbij wordt verwezen. Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend. Bij brief van 6 februari 2004 heeft gedaagde de Raad een nieuw besluit op bezwaar van eveneens 6 februari 2004 toegezonden. Het geding is, gevoegd met de gedingen met registratienummers 03/2360 WAO en 03/5612 ZW, ter behandeling aan de orde gesteld ter zitting van de Raad op 16 maart 2005, waar appellant en gedaagde, beiden met bericht van verhindering, niet zijn verschenen. II. MOTIVERING Appellant ontvangt sedert begin 1996 een uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO), laatstelijk berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 25 tot 35%. Vanuit die situatie is appellant per 10 februari 1997 als voorman grondwerken in dienst getreden bij [naam werkgever] (hierna: de werkgever). Medio juli 1997 is appellant met vakantie gegaan. Na deze vakantie is appellant niet meer op het werk verschenen, waarna hij bij brief van 31 oktober 1997 per die datum is ontslagen. Appellant heeft tegen dit ontslag geen rechtsmiddel aangewend. Wel heeft appellant een loonvordering over de maanden augustus tot en met oktober ingesteld die door de kantonrechter bij verstekvonnis van 22 januari 1998 is toegewezen. Na verzet van de werkgever is dit vonnis bij kantonrechtervonnis van 22 oktober 1998 vernietigd en is de loonvordering alsnog afgewezen. Na appèl heeft de rechtbank het vonnis van 22 oktober 1998 bij vonnis van 24 november 1999 bekrachtigd. Op 28 januari 1998 heeft appellant zich tot gedaagde gewend met het verzoek hem ziekengeld uit te keren in verband met per 1 november 1997 ingetreden arbeidsongeschiktheid. Bij brief van 19 februari 1998 heeft gedaagde appellant meegedeeld dat hangende een nader onderzoek naar de beëindiging van het dienstverband nog geen ziekengeld kan worden betaald. Na vorenvermeld rechtbankvonnis heeft appellant op 13 december 1999 uitkering ingevolge de Werkloosheidswet aangevraagd. Blijkens een brief van 16 maart 2000 van gedaagde aan appellant is die aanvraag op 15 december 1999 doorgezonden naar de afdeling Ziektewet met het verzoek de eerdere ziekmelding van 28 januari 1998 weer in behandeling te nemen. Bij besluit van 26 juli 2000 heeft gedaagde appellant meegedeeld dat hem de maatregel van blijvende, gehele weigering van ziekengeld wordt opgelegd omdat hij door in de beëindiging van het dienstverband te berusten het Algemeen werkloosheidsfonds of Gak Nederland b.v. heeft benadeeld. Bij besluit op bezwaar van 10 oktober 2001 (hierna: besluit 1) heeft gedaagde dit standpunt gehandhaafd. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank geoordeeld dat appellant genoemde benadelingshandeling heeft gepleegd, maar het beroep gegrond verklaard omdat gedaagde niet had onderzocht of sprake was van verminderde verwijtbaarheid, besluit 1 vernietigd en bepalingen gegeven omtrent proceskosten en griffierecht. Appellant heeft in hoger beroep gesteld dat geen sprake is van een benadelingshandeling omdat hij geen loonaanspraken heeft prijsgegeven. Daartoe heeft appellant aangevoerd dat in het kader van de appèlprocedure bij de rechtbank tegen het vonnis van de kantonrechter de eis is uitgebreid in die zin dat appellant tevens heeft gesteld dat het dienstverband nog immer voortduurt. Dat de rechtbank het vonnis van de kantonrechter heeft bekrachtigd, kan hier naar de mening van appellant niet aan afdoen. Gedaagde heeft in de uitspraak berust en op 6 februari 2004 een nieuw besluit op bezwaar (hierna: besluit 2) genomen, waarin met een aangepaste motivering het eerder ingenomen standpunt is gehandhaafd. De Raad oordeelt als volgt. Besluit 1 Met besluit 2 heeft gedaagde wijziging gebracht in besluit
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.