E N K E L V O U D I G E K A M E R 03/2128 NABW U I T S P R A A K in het geding tussen: [appellant], wonende te [woonplaats], appellant, en het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Groesbeek, gedaagde. I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING Appellant heeft hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank Arnhem van 11 april 2003, reg.nr. 01/2225 NABW. Gedaagde heeft bij wijze van verweer verwezen naar het besluit op bezwaar. Het geding is behandeld ter zitting van 15 maart 2005, waar appellant in persoon is verschenen, en waar gedaagde zich niet heeft laten vertegenwoordigen. II. MOTIVERING De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden. Bij besluit van 6 juni 2000 heeft gedaagde appellant hoofdelijk aansprakelijk gesteld voor terugbetaling van een bedrag van f 17.838,94, zijnde de over de periode van 1 maart 1999 tot 30 november 1999 ten onrechte ten behoeve van zijn ex-partner, [naam ex-partner], gemaakte kosten van bijstand. Voorts heeft gedaagde bij besluit van 31 mei 2001 het aflossingsbedrag met ingang van 1 juni 2001 op f 573,00 per maand vastgesteld. Bij besluit van 13 november 2001 heeft gedaagde het bezwaar tegen het besluit van 31 mei 2001 ongegrond verklaard, en het aflossingsbedrag ingaande 1 juni 2001 vastgesteld op f 563,00 per maand. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het besluit van 13 november 2001 ongegrond verklaard. Appellant heeft zich in hoger beroep gemotiveerd tegen deze uitspraak gekeerd. De Raad komt tot de volgende beoordeling. Gedaagde heeft blijkens de gedingstukken de draagkracht van appellant, na eerst de op hem van toepassing zijnde bijstandsnorm op zijn inkomen in mindering te hebben gebracht en na aftrek van de aanvullende premie ziekenfonds en premie uitvaartverzekering, vastgesteld op f 932,
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.