03/3667 BZ U I T S P R A A K in het geding tussen: [appellant], wonende te [woonplaats], appellant, en het College van burgemeester en wethouders van de gemeente ’s-Gravenhage, gedaagde. I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING Met ingang van 1 januari 2004 heeft gedaagde het besluit tot delegatie van zijn bevoegdheid tot het nemen van besluiten op bezwaar aan de Commissie Sociale Zekerheid ingetrokken. In deze uitspraak wordt onder gedaagde tevens verstaan de Commissie Sociale Zekerheid. Appellant heeft hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank ’s-Gravenhage van 23 juni 2003, reg. nr. 02/3940 ABW. Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend. Het geding is behandeld ter zitting van 8 maart 2005, waar appellant in persoon is verschenen, terwijl gedaagde zich niet heeft laten vertegenwoordigen. II. MOTIVERING Voor een overzicht van de in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden verwijst de Raad naar de aangevallen uitspraak. Hij volstaat hier met het volgende. Bij besluiten van 27 oktober 1999, 16 mei 2000 en 6 november 2000 heeft gedaagde aan appellant over de periode van 1 oktober 1999 tot en met 31 december 2000 ter voorziening in de algemeen noodzakelijke kosten van het bestaan bijstand toegekend in de vorm van een lening ingevolge het Besluit bijstandsverlening zelfstandigen (Bbz). Aan de hand van de door de administrateur van appellant opgestelde jaarstukken heeft gedaagde bij besluit van 15 februari 2002 de bijstand over het jaar 2000 met toepassing van artikel 10 van het Bbz definitief vastgesteld. Daarbij is de over dat jaar verstrekte lening tot een bedrag van € 4.477,94 (f 9.868,08) omgezet in een bedrag om niet en bepaald dat appellant het resterende bedrag van € 8.901.62 dient terug te betalen. Het tegen het besluit van 15 februari 2002 gemaakte bezwaar is bij besluit van 4 oktober 2002 ongegrond verklaard. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het tegen het besluit van 4 oktober 2002 ingestelde beroep ongegrond verklaard. Appellant heeft in hoger beroep het oordeel van de rechtbank gemotiveerd betwist. De Raad komt tot de volgende beoordeling. Evenals de rechtbank is de Raad van oordeel dat gedaagde op juiste wijze met toepassing van artikel 10 van het Bbz de bijstand over het jaar 2000 definitief heeft vastgesteld en terecht heeft berekend dat appellant over deze periode een bedrag van € 8.901,62 aan teveel betaalde leenbijstand dient terug te betalen. De Raad onderschrijft daarbij de daartoe door de rechtbank in de aangevallen uitspraak gehanteerde overwegingen en gemaakte berekening. Appellant heeft in hoger beroep aangevoerd dat gedaagde, en in navolging ook de rechtbank, bij de definitieve vaststelling van de hoogte van zijn inkomen is uitgegaan van onjuiste cijfers over het jaar
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.