E N K E L V O U D I G E K A M E R 03/2992 WAO U I T S P R A A K in het geding tussen: [appellante], wonende te [woonplaats], appellante, en de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, gedaagde. I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING Bij besluit van 28 mei 2002 heeft gedaagde geweigerd aan appellante een uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) toe te kennen, onder overweging dat appellante, na afloop van de wettelijke wachttijd van 52 weken, op 26 mei 2002 minder dan 15% arbeidsongeschikt was. Gedaagde heeft het door appellante tegen dit besluit gemaakte bezwaar bij besluit van 21 november 2002 ongegrond verklaard. De rechtbank ’s-Gravenhage heeft het door mr. M.P. de Witte, advocaat te ’s-Gravenhage, namens appellante ingestelde beroep tegen het besluit van 21 november 2002 (hierna: het bestreden besluit) bij uitspraak van 16 mei 2003, reg.nr. AWB 02/4576 WAO, ongegrond verklaard. De gemachtigde van appellante heeft op bij beroepschrift aangegeven gronden tegen deze uitspraak hoger beroep ingesteld. Gedaagde heeft van verweer gediend. Het geding is behandeld ter zitting van de Raad op 15 maart 2005, waar appellante - met kennisgeving - niet is verschenen en waar namens gedaagde is verschenen M.L. Tuinhout, werkzaam bij het Uwv. II. MOTIVERING Appellante was werkzaam als productiemedewerkster voor 10 uur per week toen zij op 22 mei 2001 uitviel met rechterschouderklachten. De verzekeringsarts A.J.D. Versteeg heeft appellante op 6 maart 2002 onderzocht. In zijn rapport van eveneens 6 maart 2002 vermeldde Versteeg van appellante verkregen informatie van de orthopedisch chirurg, die bij onderzoek geen afwijkingen had gevonden. Ook Versteeg stelde bij zijn lichamelijk onderzoek geen afwijkingen vast en gaf voorts aan dat appellante op grond van de onderzoeksbevindingen geschikt zou kunnen worden geacht voor haar eigen werk, doch dat, nu appellantes ziekmelding op grond van de Ziektewet is geaccepteerd, deze beslissing niet kan worden herroepen en dat wordt volstaan met de vaststelling dat zij bij het einde van de wachttijd in staat is tot normaal functioneren. Volgens Versteeg is er geen toetsbaar, reproduceerbaar en consistent beeld en bestaat er geen arbeidsongeschiktheid als gevolg van ziekte of gebrek. Haar mogelijkheid tot normaal functioneren heeft Versteeg vervolgens vastgelegd in de in zijn rapport opgenomen Functionele Mogelijkhedenlijst, welke derhalve geen afwijkingen ten opzichte van het normaal functioneren bevat en ook geen vermelding van specifieke voorwaarden voor het functioneren in arbeid of voor de arbeidsomgeving. Op basis hiervan en aan de hand van de arbeidsmogelijkhedenlijst van 24 april 2002 heeft de arbeidsdeskundige M. van Os blijkens zijn rapport van 24 mei 2002 vervolgens een drietal functies geselecteerd en, uitgaande van het uurloon in de middelste van die functies, vastgesteld dat er geen verlies aan verdiencapaciteit is. Vervolgens heeft gedaagde het primaire besluit van 28 mei 2002 genomen. In de bezwaarprocedure heeft de gemachtigde van appellante aangevoerd er bezwaar tegen te hebben dat geen beperkingen door Versteeg zijn vastgesteld ondanks de hinder die appellante ondervindt van klachten. Voorts heeft hij gesteld dat appellante ten tijde van haar uitval ook nog een uitkering ingevolge de Werkloosheidswet (WW) ontving. De bezwaarverzekeringsarts M. Keus, die blijkens zijn rapport van 8 november 2002, zoals tevoren aangekondigd op de hoorzitting aanwezig was, waar appellante evenwel zonder bericht van verhindering niet is verschenen, heeft na beoordeling van de beschikbare gegevens de conclusie van Versteeg onderschreven. Keus had blijkens zijn rapport de beschikking over informatie van de huisarts, de behandelend orthopedisch chirurg van 19 juli en 2 augustus 2002 en van de radioloog van 7 februari
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.