03/4445 WW U I T S P R A A K in het geding tussen: [appellant], wonende te [woonplaats], appellant, en de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, gedaagde. I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING Namens appellant is mr. J.C.M. Bonnier, advocaat te Wijchen, op bij aanvullend beroepschrift aangegeven gronden in hoger beroep gekomen van een door de rechtbank Arnhem onder registratienummer Awb 03/1651 en Awb 03/1652 op 11 augustus 2003 tussen partijen gewezen uitspraak (de aangevallen uitspraak). Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend. Het geding is behandeld ter zitting van 16 maart 2005, waar appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Bonnier voornoemd en waar gedaagde zich heeft doen vertegenwoordigen door mr. S. Croes, werkzaam bij het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv). II. MOTIVERING De Raad stelt voorop dat het in dit geding aan de orde zijnde geschil wordt beoordeeld aan de hand van de Werkloosheidswet (WW) en de daarop berustende bepalingen, zoals die luidden ten tijde als hier van belang. Appellant, geboren in 1948, is op 10 september 2001 in dienst getreden van Medi Expresse Groot Gelre B.V. (hierna: werkgever). Appellant was aangesteld in de functie van chauffeur en als zodanig diende hij onder meer huisartsen te vervoeren en medicijnen te bezorgen in een speciaal daarvoor ingerichte auto. In de loop van 2002 heeft de werkgever voorgeschreven dat de werknemers de door hem ter beschikking gestelde bedrijfskleding dragen, bestaande uit een jas, polo en broek. Appellant heeft niet steeds geheel aan dat voorschrift voldaan. De werkgever heeft hem daar diverse malen op aangeschreven. Appellant heeft als bezwaar tegen het dragen van de bedrijfskleding aangevoerd dat hij naast zijn betrekking bij deze werkgever ook werkzaamheden als enquêteur verrichtte, in welke functie hij een ander pak droeg dat hij, na afloop van die werkzaamheden, bij deze werkgever niet afgesloten kon opbergen. Aangezien op de werkplek reeds spullen werden vermist of gestolen, wenste appellant zijn kleding niet onbeheerd achter te laten. Nadat appellant op 31 oktober 2002, 13 januari 2003, 17 januari 2003 en 30 januari 2003 door de werkgever was aangeschreven over het door hem niet dragen van de bedrijfskleding, laatstelijk met de waarschuwing dat ontslag zou volgen indien hij nogmaals zou weigeren de bedrijfskleding te dragen, terwijl hij daarnaast ook diverse malen mondeling daarop was aangesproken, heeft de werkgever appellant op 7 februari 2003, nadat was geconstateerd dat appellant op 6 februari 2003 wederom de bedrijfskleding niet had gedragen, op staande voet ontslagen. Appellant heeft de nietigheid van dat ontslag ingeroepen, heeft zich voor de werkgever beschikbaar gehouden en heeft gevorderd het hem toekomende salaris door te betalen. Op 14 februari 2003 heeft appellant een aanvraag om een WW-uitkering ingediend. Op 3 april 2003 heeft de werkgever de kantonrechter te Nijmegen verzocht de arbeidsovereenkomst met appellant te ontbinden. Op dezelfde datum heeft appellant een verweerschrift ingediend. De kantonrechter heeft op 4 april 2003 de arbeidsovereenkomst per die datum ontbonden, onder toekenning van een vergoeding van € 3060,
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.