E N K E L V O U D I G E K A M E R 03/3214 WAO U I T S P R A A K in het geding tussen: [appellant], wonende te [woonplaats], appellant, en de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, gedaagde. I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING Met ingang van 1 januari 2002 is de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen in werking getreden. Ingevolge de Invoeringswet Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen treedt in dit geding de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) in de plaats van het Landelijk instituut sociale verzekeringen (Lisv). In deze uitspraak wordt onder gedaagde tevens verstaan het Lisv. Namens gedaagde heeft mr. G.A.M. van Dijk, advocaat te Alkmaar, op bij beroepschrift aangevoerde gronden hoger beroep ingesteld tegen de door de rechtbank Haarlem onder dagtekening 6 juni 2003 tussen partijen gegeven uitspraak (reg. nr.: Awb 02-316 WAO), waarnaar hierbij wordt verwezen. Gedaagde heeft bij schrijven van 8 augustus 2003 van verweer gediend. Bij brief van 19 augustus 2003 heeft mr. H. Koelewijn, advocaat te Woerden, zich als opvolgend gemachtigde gesteld. Het geding is ter behandeling aan de orde gesteld ter zitting van de Raad, gehouden op 1 april 2005, waar partijen, met schriftelijke kennisgeving, niet zijn verschenen. II. MOTIVERING Voor een uitvoerig overzicht van de voor dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden verwijst de Raad naar hetgeen de rechtbank daaromtrent, gelet op de gedingstukken met juistheid, heeft weergegeven. De Raad volstaat hier met de vermelding dat gedaagde bij het bestreden besluit van 4 februari 2002 het ten aanzien van appellant genomen besluit van 7 juni 2001 heeft gehandhaafd. Daarbij is appellants uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) met ingang van 13 november 2000 naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 55 tot 65% herzien. Appellant heeft in beroep bij de rechtbank grieven van medische en arbeidskundige aard aangevoerd. De rechtbank heeft hierin geen aanleiding gezien het bestreden besluit voor onjuist te houden. In hoger beroep heeft appellant onder verwijzing naar de in eerste aanleg ingezonden gegevens afkomstig van de behandelende artsen, in het bijzonder die van de orthopedisch chirurg De Bruin, aangevoerd dat zijn medische beperkingen ten tijde hier in geding zijn bij het bestreden besluit zijn onderschat. Appellant heeft zich gekeerd tegen de overweging van de rechtbank dat de gegevens van orthopedisch chirurg De Bruin geen betekenis hebben voor de medische situatie van appellant op 13 november
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.