04/1491 ALGEM 04/1492 ALGEM U I T S P R A A K in de gedingen tussen: [appellante], gevestigd te [vestigingsplaats], appellante, en de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv), gedaagde. I. ONTSTAAN EN LOOP VAN DE GEDINGEN Namens appellante is hoger beroep ingesteld tegen de tussen partijen op 28 januari 2004 met kenmerk 02/2774 en 03/1693 door de rechtbank Utrecht gewezen uitspraak. Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend. Bij brief van 25 maart 1995 zijn namens appellante nadere stukken in het geding gebracht. De gedingen zijn behandeld ter zitting van de Raad, gehouden op 7 april 2005, waar appellante zich heeft doen vertegenwoordigen door haar voorzitter [naam voorzitter] en m[betrokkene], directeur van [de besloten vennootschap] Gedaagde heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. D.B. Smaalders, werkzaam bij het Uwv. II. MOTIVERING Appellante heeft als doelstelling het behartigen van de materiële en immateriële belangen van circa honderdtien dakdekkersbedrijven (voor hellende daken). De financiële middelen van de vereniging zijn in de vorm van subsidie voornamelijk afkomstig van het Hoofdbedrijfsschap Ambachten. Naar aanleiding van een namens gedaagde bij appellante gehouden looncontrole over de jaren 1997 tot en met 2001, waarvan de bevindingen zijn neergelegd in een rapport van 4 maart 2002, heeft gedaagde een nader onderzoek doen instellen naar de eventuele verzekeringsplicht van m[betrokkene] (hierna: [betrokkene]).[betrokkene] is directeur van [de besloten vennootschap] (hierna: [de B.V. ]) die op 1 januari 1998 met appellante een overeenkomst tot het verrichten van secretariaatswerkzaamheden (hierna: de overeenkomst) is aangegaan tegen een jaarlijkse vergoeding van f 100.000,-- per jaar. Naar aanleiding van het nadere onderzoek, dat een gesprek met [betrokkene] omvatte, waarvan de bevindingen zijn neergelegd in een rapport van 15 oktober 2002, heeft gedaagde [betrokkene] bij besluit van 25 juli 2002 verzekeringsplichtig geacht vanaf 1 januari 1998 op grond van artikel 3 van de sociale werknemersverzekeringswetten. Bij besluit van 14 november 2002 (hierna: het bestreden besluit I) heeft gedaagde de bezwaren van appellante tegen de aangenomen verzekeringsplicht ongegrond verklaard. Terzake van deze verzekeringsplicht heeft gedaagde op 25 december 2002 over de jaren 1998 tot en met 2001 correctienota’s en op 9 januari 2003 over het jaar 2002 een gecorrigeerde voorschotnota aan appellante opgelegd. Op 30 december 2002 is over de jaren 1998 en 1999 een verzuim geregistreerd en verder zijn op 7 januari 2003 over de jaren 1998 tot en met 2001 boetenota’s aan appellante opgelegd. Bij besluit van 28 mei 2003 (hierna: het bestreden besluit II) heeft gedaagde de bezwaren van appellante tegen deze nota’s en de boeteregistratie ongegrond verklaard. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank de beroepen van appellante tegen beide bestreden besluiten ongegrond verklaard. In hoger beroep heeft appellante het oordeel met betrekking tot de verzekeringsplicht bestreden omdat naar haar mening geen sprake is van een verplichting tot persoonlijke arbeid door [betrokkene] en geen gezagsverhouding bestaat tussen [betrokkene] en appellante. Voorzover wel terecht verzekeringsplicht is aangenomen dient oplegging van boetes en registratie van een eerste verzuim achterwege te blijven omdat er geen grove schuld of opzet is geweest. De Raad overweegt als volgt. Er is sprake van een privaatrechtelijke dienstbetrekking in de zin van artikel 3 van de sociale werknemersverzekeringswetten als de volgende drie elementen aanwezig zijn: de verplichting van de werknemer om de arbeid persoonlijk te verrichten, de verplichting van de werkgever om loon te betalen en een gezagsverhouding tussen werkgever en werknemer. De Raad stelt vast dat over de verplichting tot loonbetaling geen geschil bestaat. Op grond van de over de arbeidsverhouding tussen appellante en [betrokkene] ter beschikking staande gegevens is ook voor de Raad genoegzaam komen vast te staan dat sprake is van een privaatrechtelijke dienstbetrekking, zodat terecht verzekeringsplicht is aangenomen vanaf 1 januari
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.