03/5291 NABW U I T S P R A A K in het geding tussen: [appellante], wonende te [woonplaats], appellante, en het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Groningen, gedaagde. I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING Namens appellante heeft mr. B. van Dijk, advocaat te Groningen, hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank Groningen van 19 september 2003, reg.nr. 03/36 NABW. Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend. Het geding is ter behandeling aan de orde gesteld ter zitting van 12 april 2005, waar partijen - met bericht - niet zijn verschenen. II. MOTIVERING Voor een overzicht van de in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden verwijst de Raad naar de aangevallen uitspraak. Hij volstaat hier met het volgende. Op 13 augustus 2002 heeft appellante bijzondere bijstand op grond van de Algemene bijstandswet (Abw) aangevraagd in de kosten van vervanging van vloerbedekking, een koelkast en beddengoed alsmede voor de aanschaf van een garderobekast en verf. Bij besluit van 5 september 2002 heeft gedaagde recht op bijzondere bijstand toegekend tot een bedrag van € 650,--. Bij besluit van 24 december 2002 heeft gedaagde het bezwaar tegen het besluit van 5 september 2002 ongegrond verklaard. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het besluit van 24 december 2002 ongegrond verklaard. Daartoe heeft zij het volgende overwogen (waarbij appellante als eiseres en gedaagde als verweerder is aangeduid): "Met betrekking tot het horen. In artikel 7:2, eerste lid, Algemene wet bestuursrecht (Awb) is bepaald dat een bestuursorgaan belanghebbenden in de gelegenheid stelt te worden gehoord voordat op het bezwaar wordt beslist. De rechtbank ziet zich in de eerste plaats gesteld voor de vraag of verweerder door het verzoek om aanhouding van de gemachtigde van eiseres niet te honoreren heeft gehandeld in strijd met het bepaalde in dit artikel. De rechtbank stelt vast dat de gemachtigde van eiseres in de gelegenheid is geweest op de hoorzitting van 16 december 2002 namens eiseres het woord te voeren. Dat hij daartoe op dat moment inhoudelijk onvoldoende in staat was omdat hij het dienstrapport van 27 november 2002 nog niet (met) eiseres had kunnen bespreken dient naar het oordeel van de rechtbank voor rekening en risico van (de gemachtigde van) eiseres te blijven. Niet is gebleken dat eiseres niet schriftelijk haar visie op dit rapport aan haar gemachtigde kenbaar had kunnen maken. De termijn van ruim twee weken die daarvoor beschikbaar was is naar het oordeel van de rechtbank niet zodanig kort dat een dergelijke reactie praktisch niet mogelijk was. Voorts is de rechtbank met verweerder van oordeel dat ziekte van een secretaresse van de gemachtigde voor diens ondernemersrisico komt. Tot slot heeft eiseres naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende aannemelijk gemaakt dat zij in de periode tussen 29 november 2002 en 16 december 2002 niet in staat is geweest tot mondeling communicatie. De rechtbank wijst daarbij met verweerder op het feit dat eiseres zich blijkens een rapport bijzondere bijstand van 18 december 2002 op 29 november 2002 heeft gewend tot verweerder voor het indienen van een aanvraag om bijzondere bijstand. Op 6 december 2002 heeft eiseres telefonisch contact gehad met een medewerker van verweerder ten aanzien van een te houden huisbezoek op 18 december
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.