E N K E L V O U D I G E K A M E R 03/ 672 NABW U I T S P R A A K in het geding tussen: [appellante], wonende te [woonplaats], appellante, en het College van burgemeester en wethouders van de gemeente ’s-Gravenhage, gedaagde. I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING Met ingang van 1 januari 2004 heeft gedaagde het besluit tot delegatie van zijn bevoegdheid tot het nemen van besluiten op bezwaar aan de Commissie Sociale Zekerheid ingetrokken. In deze uitspraak wordt onder gedaagde tevens verstaan de Commissie Sociale Zekerheid. Namens appellante heeft mr. E.W.J.F. Deen, advocaat te ’s-Gravenhage, hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank ’s-Gravenhage van 30 januari 2002, reg.nr. 02/1187 ABW. Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend. Het geding is behandeld ter zitting van 15 maart 2005, waar appellante - met bericht - niet is verschenen, en waar gedaagde zich heeft laten vertegenwoordigen door mr. P. Siemerink, werkzaam bij de gemeente ’s-Gravenhage. II. MOTIVERING Aan de aangevallen uitspraak - waarin appellante als eiseres is aangeduid en gedaagde als verweerster - ontleent de Raad de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden: " Bij besluit van 16 juli 1998 heeft verweerster aan eiseres meegedeeld dat haar uitkering ingevolge de Algemene bijstandswet (Abw) wordt herzien, omdat zij de informatieverplichting heeft geschonden door niet te melden dat zij in de periode van 8 januari 1993 tot medio 1995 een gezamenlijke huishouding met de heer [partner] heeft gevoerd en aansluitend naar een onbekend adres is verhuisd. Als gevolg hiervan kan het recht op bijstand van eiseres over de periode van 8 januari 1993 tot en met 7 september 1997 niet worden vastgesteld, in verband waarmee een bedrag van f 113.205,46 aan over genoemde periode te veel uitbetaalde bijstand van eiseres wordt teruggevorderd. Het hiertegen gemaakte bezwaar van eiseres heeft verweerster bij besluit van 26 november 1999 ongegrond verklaard. Bij uitspraak van 13 maart 2001 (AWB 00/635 ABW) heeft deze rechtbank het op 18 januari 2000 tegen dit besluit ingestelde beroep van eiseres gegrond verklaard, het bestreden besluit vernietigd en bepaald dat verweerster een nieuw besluit op het bezwaar van eiseres neemt met inachtneming van hetgeen in de uitspraak is overwogen. Bij besluit van 15 februari 2002, verzonden op 19 februari 2002, heeft verweerster, overeenkomstig het advies van de afdeling Bezwaar en Beroep, het bezwaar van eiseres in zoverre gegrond verklaard dat over de periode van 16 juli 1993 tot en met 7 september 1997 een bedrag van € 45.153,85 (f 99.505,99) wordt teruggevorderd." Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank -met beslissingen omtrent griffierecht en proceskosten- het tegen het besluit van 15 februari 2002 ingestelde beroep gegrond verklaard, het besluit vernietigd wegens een onjuiste wettelijke grondslag en bepaald dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand blijven. Appellante heeft zich in hoger beroep gemotiveerd tegen deze uitspraak gekeerd voorzover daarbij de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand zijn gelaten. De Raad komt tot de volgende beoordeling. Het besluit van 15 februari 2002 is genomen ter uitvoering van de uitspraak van de rechtbank van 13 maart
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.