03/2349 WAO U I T S P R A A K in het geding tussen: [appellant], wonende te [woonplaats], appellant en de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, gedaagde. I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING Met ingang van 1 januari 2002 is de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen in werking getreden. Ingevolge de Invoeringswet Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen treedt in dit geding de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) in de plaats van het Landelijk instituut sociale verzekeringen (Lisv). In deze uitspraak wordt onder gedaagde tevens verstaan het Lisv. Namens appellant is mr. A.C.R. Molenaar, advocaat te Amstelveen, op bij aanvullend beroepschrift aangegeven gronden in hoger beroep gekomen van de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 8 april 2003, nr. AWB 02/966 WAO, waarnaar hierbij wordt verwezen. Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend. Het geding is behandeld ter zitting van de Raad op 15 april 2005, waar appellant na voorafgaand bericht niet is verschenen, terwijl voor gedaagde is verschenen mr. E. van Hilten, werkzaam bij het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen. II. MOTIVERING Appellant, geboren [in] 1966 en laatstelijk werkzaam als productiemedewerker gedurende 40 uur per week, is op 14 december 1998 uitgevallen met schouderklachten. Na verzekeringsgeneeskundig en arbeidskundig onderzoek is bij besluit van 3 april 2000 aan appellant een uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) toegekend berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%. Bij besluit van 4 april 2000 heeft gedaagde de WAO-uitkering met ingang van 17 mei 2000 ingetrokken. Aan dat besluit heeft gedaagde ten grondslag gelegd dat appellants mate van arbeidsongeschiktheid met ingang van genoemde datum was afgenomen naar minder dan 15%. Bij besluit op bezwaar van 6 oktober 2000, hierna: het bestreden besluit, heeft gedaagde het besluit van 4 april 2000 gehandhaafd. De rechtbank heeft het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. Daartoe heeft de rechtbank als volgt overwogen: " De rechtbank ziet geen aanleiding te twijfelen aan de juistheid van de medische grondslag van het bestreden besluit. De verzekeringsarts heeft eiser in persoon onderzocht en heeft in het door hem opgestelde belastbaarheidspatroon rekening gehouden met de verminderde belastbaarheid van de schouders. De bezwaar- verzekeringsarts heeft informatie opgevraagd bij orthopedisch chirurg dr. Van Trommel en deze samen met de medische stukken van de behandelend sector, waaronder informatie van huisarts dr. Rey, betrokken bij zijn oordeel. Hij heeft geconcludeerd dat er tijdens de bezwaarprocedure geen nieuwe objectiveerbare medische gegevens naar voren zijn gekomen waaruit zou kunnen blijken dat de eerder vastgestelde belastbaarheid niet juist zou zijn. Eiser heeft in beroep, naast de in bezwaar overgelegde medische stukken, nog een aantal medische stukken overgelegd. Het betreft medische verklaringen van de Ghanese artsen dr. Gbedemah, dr. Acorlor en dr. Frimpong, alsmede medische verklaringen van de internist dr. Barnas, de huisarts dr. Rey en de cardioloog dr. Jansen. Uit deze medische verklaringen blijkt dat eiser sinds 20 juli 2000 lijdt aan een verhoogde bloeddruk en chronisch hartfalen. De data die genoemd worden in voornoemde medische stukken hebben betrekking op de periode na de datum in geding zijnde 17 mei
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.