03/3690 WAO U I T S P R A A K in het geding tussen: de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, appellant, en [gedaagde], wonende te [woonplaats], gedaagde. I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING Met ingang van 1 januari 2002 is de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen in werking getreden. Ingevolge de Invoeringswet Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen treedt in dit geding de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) in de plaats van het Landelijk instituut sociale verzekeringen (Lisv). In deze uitspraak wordt onder appellant tevens verstaan het Lisv. Appellant heeft hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 11 juni 2003, nummer AWB 02/1106 WAO, waarnaar hierbij wordt verwezen. Het geding is behandeld ter zitting van de Raad op 5 april 2005, waar namens appellant is verschenen mr. R. Sowka, werkzaam bij het Uwv en waar gedaagde in persoon is verschenen, bijgestaan door mr. E. van den Bogaard, advocaat te Amsterdam. II. MOTIVERING Gedaagde heeft vanaf 1970 als lasser bij de NDSM in Amsterdam gewerkt. Vanaf 1980 ontving hij in verband met hoofdpijn en psychische klachten een uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO), welke werd berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%. In het kader van een herbeoordeling is gedaagde door de verzekeringsarts J.D. van de Nieuwe Giessen op diens spreekuur onderzocht. De verzekeringsarts heeft inlichtingen ingewonnen bij de huisarts en de psychiater A. Lisei. De verzekeringsarts heeft in zijn rapport van 4 oktober 1999 uiteengezet wat de resultaten van psychiatrische expertises in het verleden zijn geweest en in hoeverre er nog sprake was van behandeling van gedaagde. Voorts heeft hij uiteengezet dat hij bij eigen onderzoek niet of nauwelijks afwijkingen heeft kunnen vaststellen. Van de Nieuwe Giessen heeft vervolgens een verwoording belastbaarheid opgesteld waarin hij gedaagde inzake de psychische aspecten alleen wat betreft het werken onder tijdsdruk heeft beperkt. Vervolgens heeft de arbeidsdeskundige J.L.M. de Boer functies geselecteerd waarmee gedaagde een zodanig inkomen kan verdienen dat hij voor 25 tot 35% arbeidsongeschikt in de zin van de WAO is. Bij besluit van 12 november 1999 is de uitkering ingevolge de WAO van gedaagde met ingang van 9 januari 2000 herzien naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 25 tot 35%. Na gemaakt bezwaar heeft de psychiater M.L. Stek op verzoek van de bezwaarverzekeringsarts W. Ruitenberg onder dagtekening 20 mei 2000 een rapport over de gezondheidstoestand van gedaagde uitgebracht. Stek beschikte bij zijn onderzoek over de voorafgaande expertises en over een verslag waarin de waarnemingen van gedaagdes dochter S. Dalkiran met betrekking tot gedaagde zijn weergegeven. Aan de rapportage van de psychiater Stek ontleent de Raad het volgende: "DIAGNOSTISCHE BESCHOUWING EN BEANTWOORDING VAN UW VRAAGSTELLING Uit de beschikbare informatie komt naar voren dat er bij betrokkene aanvankelijk sprake is geweest van uitval met hoofdpijnklachten die mogelijk stress gerelateerd geweest zijn, mogelijk ook gekoppeld aan de psychosociale situatie thuis en de situatie rond werkdruk en sanering in werk. Daarnaast zijn er aanwijzingen dat er bij betrokkene sprake is geweest van alcoholabusus vanaf moment van uitval, mogelijk geïnduceerd door gebrek aan structuur en ritme door het wegvallen van werk. Betrokkene is lange tijd buiten het arbeidsproces gebleven zonder dat er evidente aanwijzingen waren voor psychiatrische symptomatologie anders dan hoofdpijnklachten als uiting van spanningen en alcoholabusus. Volgend op de psychiatrische rapportage uit 1992 waarbij er ook geen daadwerkelijk psychiatrisch toestandsbeeld kon worden geconstateerd vond psychiatrische verwijzing plaats op eigen verzoek van betrokkene via de huisarts naar de psychiater van echtgenote. Het lijdt geen twijfel dat er sprake is geweest van forse psychosociale stress, relatieproblemen en problemen binnen het systeem in deze periode. Nochtans kunnen ook uit de informatie van toen geen harde aanwijzingen gevonden worden voor een psychiatrische stoornis. Vanaf deze periode is er geen sprake meer van alcoholabusus hetgeen ook grotendeels reactief bepaald lijkt, retrospectief, en is er sprake van een neurastheen klachtencomplex, bestaande uit concentratieproblemen, versnelde irritatie, versnelde vermoeibaarheid en klachten van het hoofd. Onderzoeker heeft geen aanwijzingen kunnen vinden voor het bestaan van een stemmingsstoornis, angststoornis of een somatisatiestoornis. Fixatie op het klachtenpatroon en op het nu reeds zeer lang bestaande evenwicht lijkt zeer aannemelijk; in dit opzicht is er ook sprake van zeer lang bestaande ziektewinst. Er zijn geen aanwijzingen dat betrokkene dit belang zeer bewust heeft nagestreefd doch veeleer is de situatie door de gang van zaken bevestigd. De behandeling over een zo lange periode met inadequate medicatie (en zeer waarschijnlijk ook inadequate interventies) heeft voornamelijk tot doel gehad betrokkene te steunen in de bestaande situatie en was beslist niet gericht op verandering. Wanneer het relaas van betrokkene en de beschikbare informatie kloppen, er geen enkele verandering is opgetreden in het klachtenpatroon en dat de medicatie geen enkel effect heeft gehad op de klachten en niveau van functioneren, ondersteunt dit de visie dat er voornamelijk sprake is geweest van een emotionele steun in de ziekterol voor betrokkene en echtgenote en naar de buitenwereld. Samengevat kan er op dit moment niet worden gesproken van een psychiatrische stoornis bij betrokkene en kan in descriptieve terminologie volgens DSM IV worden gesproken van: As I :Pijnstoornis, grotendeels bepaald door psychische factoren. Tentatief, dysthyme stoornis. Alcoholabusus, volledig in remissie. As II :Geen diagnose. As III:Geen diagnose. Bovenstaande neemt niet weg dat het waarschijnlijk buitengewoon moeilijk zal zijn betrokkene tot een reïntegratie-traject te bewegen vanuit de beleving van zijn klachten, de zeer lange duur waarin hij hierin bevestigd is en het verdere evenwicht thuis. In dit opzicht dient bij de capaciteiten te worden meegewogen dat er bij betrokkene sprake is van een zeer lang bestaande toestand waarbij een theoretische werkomgeving zou moeten voldoen aan eisen van: geen overmatig geluid of andere prikkels in hoge intensiteit, geen dwingende tempodruk, geen hoge stress-bestendigheid en werk, afgestemd op het premorbide niveau van betrokkene." Vervolgens heeft de bezwaarverzekeringsarts Ruitenberg in zijn rapport van 23 augustus 2000 geconcludeerd dat er geen sprake is van een psychiatrisch ziektebeeld in engere zin en dat de door de verzekeringsarts Van de Nieuwe Giessen opgestelde verwoording belastbaarheid geen aanvulling behoefde. Het rekening houden met het premorbide niveau van gedaagde achtte Ruitenberg een arbeidskundig beoordelingsaspect. Vervolgens heeft de bezwaararbeidsdeskundige T.L.M. van der Hulst een arbeidskundige heroverweging gedaan. Zoals uit zijn rapport van 13 september 2000 blijkt, heeft hij drie van de acht geselecteerde functies op grond van het ontbreken van het vereiste opleidingsniveau laten vallen. Omdat met betrekking tot gedaagde het arbeidsongeschiktheidscriterium van voor 1 juli 1987 geldt heeft hij voorts getoetst of er voldoende aantoonbaar verband is tussen de handicap enerzijds en het niet verkrijgen van arbeid anderzijds. In het rapport is uiteengezet waarom naar het oordeel van de bezwaararbeidsdeskundige verdiscontering van werkloosheid in de WAO-uitkering niet aan de orde is. Tenslotte heeft de bezwaararbeidsdeskundige Van der Hulst het maatmaninkomen opnieuw berekend en de mate van arbeidsongeschiktheid op 9 januari 2000 vastgesteld op 35 tot 45%. Bij besluit van 22 september 2000, verder: het bestreden besluit, heeft appellant gedaagdes bezwaar tegen het besluit van 12 november 1999 gegrond verklaard en de uitkering ingevolge de WAO van gedaagde met ingang van 9 januari 2000 herzien naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 35 tot 45%. Tijdens de procedure bij de rechtbank heeft de bezwaarverzekeringsarts Ruitenberg onder dagtekening 15 februari 2001 de volgende, zich onder de gedingstukken bevindende, schriftelijke reactie op het beroepschrift van gedaagdes gemachtigde gegeven: " COMMENTAAR BEROEPSZAAK Voor de medische voorgeschiedenis zou ik willen verwijzen naar de rapportage van 23-08-
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.