04/4045 WAO U I T S P R A A K in het geding tussen: de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, appellant, en [gedaagde], gevestigd te [vestigingsplaats], gedaagde. I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING Appellant heeft hoger beroep ingesteld tegen de tussen partijen op 11 juni 2004 door de rechtbank Rotterdam onder kenmerk 03/1064 gewezen uitspraak. De zaak is behandeld ter zitting van de Raad op 20 mei 2005, waar appellant zich heeft laten vertegenwoordigen door mr. P.A.D.M. Bouts, werkzaam bij het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, en gedaagde niet is verschenen. II. MOTIVERING Bij het bestreden besluit van 24 maart 2003 heeft appellant onder ongegrondverklaring van het daartegen gerichte bezwaar gehandhaafd zijn besluit van 25 november 2002 tot de vaststelling van de gedifferentieerde premie als bedoeld in artikel 78 van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) ten laste van gedaagde voor 2003 op 2,38%. De rechtbank heeft het beroep gegrond verklaard, het bestreden besluit vernietigd en bepaalt dat appellant met inachtneming van haar uitspraak een nieuwe beslissing neemt op het bezwaar van gedaagde, met veroordeling van appellant in de kosten en tot vergoeding van het griffierecht. De rechtbank heeft daarbij het beroep van gedaagde op de onverbindendheid van artikel 4a van het Besluit premiedifferentiatie WAO wegens strijd met artikel 78, zesde lid van de WAO gehonoreerd. Het hoger beroep richt zich tegen dit oordeel. Naar het oordeel van de Raad slaagt het hoger beroep. Het beroep op de onverbindendheid van artikel 4a van het Besluit premiedifferentiatie WAO stuit af op de met terugwerkende kracht herziene tekst van artikel 78, zesde lid, van de WAO. In dit verband wijst de Raad ook op zijn uitspraak van 24 februari 2005, USZ 2005,
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.