03/2066 NABW U I T S P R A A K in het geding tussen: [appellant], wonende te [woonplaats], appellant, en het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Tilburg, gedaagde. I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING Namens appellant heeft mr. W.B. Knook, advocaat te Breda, hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de voorzieningenrechter van de rechtbank Breda van 12 februari 2003, reg.nrs. 03/95 VV en 03/96 NABW. Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend. Het geding is behandeld ter zitting van 23 mei 2005, waar appellant in persoon is verschenen, bijgestaan door mr. Knook, en waar gedaagde zich heeft laten vertegenwoordigen door mr. C.J.C.J. Crombach, werkzaam bij de gemeente Tilburg. II. MOTIVERING De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden. Appellant, van Afghaanse nationaliteit, ontving een uitkering op grond van de Algemene bijstandswet (Abw) voor de noodzakelijke kosten van het bestaan. Bij besluit van 24 november 2000 heeft de Staatssecretaris van Justitie de aan appellant verleende toelating als vluchteling ingetrokken. Bij besluit van 15 juli 2002 is het daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard en tevens de uitzetting van appellant gelast. Tegen dit besluit heeft appellant bij brief van 9 augustus 2002 beroep ingesteld. Bij besluit van 2 oktober 2002 heeft gedaagde het recht op bijstand van appellant met ingang van 1 augustus 2002 beëindigd en de gemaakte kosten van bijstand over de periode van 17 juli 2002 tot en met 31 juli 2002 tot een bedrag van € 358,89 van hem teruggevorderd. Bij besluit van 5 december 2002 heeft gedaagde het bezwaar tegen het besluit van 2 oktober 2002, ongegrond verklaard, met dien verstande dat alsnog het recht op bijstand over de periode van 17 tot en met 31 juli 2002 is herzien (lees: ingetrokken). Volgens gedaagde is appellant geen vreemdeling die op grond van artikel 7, tweede en derde lid, van de Abw (tekst vanaf 1 april 2001) met een Nederlander kan worden gelijkgesteld. Bij de aangevallen uitspraak is, voorzover van belang, het beroep tegen het besluit van 5 december 2002 ongegrond verklaard. Appellant kan zich daarmee niet verenigen en heeft in hoger beroep met verwijzing naar onder meer naar artikel 82 van de Vreemdelingenwet 2000 aangevoerd dat hij wel met een Nederlander kan worden gelijkgesteld. De Raad komt tot de volgende beoordeling. Artikel 7, derde lid, aanhef en onder b, van de Abw (tekst vanaf 1 april 2001) luidt als volgt: “Bij algemene maatregel van bestuur kunnen hier te lande verblijvende vreemdelingen, anders dan die bedoeld in artikel 8, onder a tot en met e en l, van de Vreemdelingenwet 2000, voor de toepassing van deze wet met een vreemdeling worden gelijkgesteld: vreemdelingen die, na rechtmatig verblijf te hebben gehouden in de zin van artikel 8, onder a tot en met e en l, van de Vreemdelingen-wet 2000, rechtmatig in Nederland verblijf hebben als bedoeld in artikel 8, onder g of h, van de Vreemdelingenwet 2000.”. Ingevolge artikel 1, eerste lid, aanhef en onder b, van de desbetreffende algemene maatregel van bestuur (Besluit van 27 april 1998, Stb. 1998, 308, zoals gewijzigd met ingang van 1 april 2001, verder: Besluit gelijkstelling) wordt voor toepassing van de Abw met een Nederlander gelijkgesteld de vreemdeling die na rechtmatig verblijf te hebben gehouden in de zin van artikel 8, onder a tot en met e, of l, van de Vreemdelingenwet 2000 binnen de termijn, genoemd in artikel 69, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000, bezwaar heeft gemaakt of beroep heeft ingesteld tegen de intrekking van de toelating in de zin van artikel 8, onder a tot en met e, of l, van de Vreemdelingenwet
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.