04/1222 NABW U I T S P R A A K in het geding tussen: [appellant], wonende te [woonplaats], appellant, en het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Baarle-Nassau, gedaagde. I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING Namens appellant heeft mr. J. Withaar, advocaat te Goirle, hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank Breda van 12 januari 2004, reg.nr. 03/959 NABW. Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend. Het geding is behandeld ter zitting van 26 april 2005, waar appellant in persoon is verschenen, bijgestaan door mr. Withaar, en waar gedaagde zich heeft laten vertegenwoordigen door mr. C.J.C.J. Crombach en L.M.L.G. de Wijs, beiden werkzaam bij de gemeente Tilburg. Tevens is daar verschenen de door appellant meegebrachte deskundige L. Struijk (AA), wonende te Zaltbommel. II. MOTIVERING Voor een overzicht van de in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden verwijst de Raad naar de aangevallen uitspraak. Hij volstaat hier met het volgende. Appellant exploiteert sinds 1992 samen met [betrokkene] het bedrijf [naam bedrijf], een bedrijf gericht op model- en maquettebouw voor de bouwsector. Als gevolg van langdurige ziekte van appellant in 2001 heeft het bedrijf haar diensten uitgebreid met het produceren van modellen van monumentale gebouwen in kitvorm en het modelleren van een compleet stadsdeel of openluchtmuseum. Appellant heeft op 29 augustus 2001 een aanvraag ingediend ingevolge de Algemene bijstandswet (Abw) en het Besluit bijstandverlening zelfstandigen (Bbz) om bijstand in de algemeen noodzakelijke kosten van het bestaan en om bijstand ter voorziening in de behoefte aan bedrijfskapitaal. Bij besluit van 23 oktober 2001 heeft gedaagde aan appellant een voorschot toegekend naar de norm voor een echtpaar. In dat besluit heeft gedaagde verder - onder meer - bepaald dat de periodieke uitkering wordt toegekend in de vorm van een renteloze lening totdat er advies is uitgebracht door het IMK Intermediair (IMK). Op 15 januari 2002 heeft het IMK op verzoek van gedaagde een advies uitgebracht, waarin wordt geconcludeerd dat het bedrijf van appellant niet levensvatbaar is. Naar aanleiding van dat rapport heeft gedaagde bij besluit van 27 februari 2002 de aanvraag van appellant met toepassing van de artikelen 8, eerste lid, van de Abw en 1, aanhef en onder b, van het Bbz afgewezen op de grond dat geen sprake is van een levensvatbaar bedrijf. In dat besluit is verder - onder meer - bepaald dat het aan appellant over de periode van 29 augustus 2001 tot en met 31 december 2001 verstrekte voorschot tot een bedrag van € 4.990,63 met toepassing van artikel 80 van de Abw van appellant wordt teruggevorderd. Bij besluit van 30 juli 2002 heeft gedaagde het bezwaar tegen het besluit van 27 februari 2002 ongegrond verklaard. De voorzieningenrechter van de rechtbank Breda heeft bij uitspraak van 18 oktober 2002, reg.nrs. 02/1740 NABW VV en 02/1741 NABW, - met een bepaling omtrent het griffierecht - het beroep tegen het besluit van 30 juli 2002 gegrond verklaard, dat besluit vernietigd, en bepaald dat gedaagde met inachtneming van de uitspraak opnieuw op het bezwaar tegen het besluit van 27 februari 2002 moet beslissen. De voorzieningenrechter heeft daarbij overwogen dat het advies van het IMK van 15 januari 2002 mede berust op de vaststelling dat er op dat moment geen opdrachten waren. Na het advies van het IMK en voor het besluit van 27 februari 2002 heeft appellant een opdracht, gedateerd op 15 februari 2002, ontvangen en aan gedaagde gemeld. Gedaagde heeft deze informatie ten onrechte buiten beschouwing gelaten bij de beoordeling van de aanvraag. Op verzoek van gedaagde heeft het IMK op 7 januari 2003 een aanvullend advies uitgebracht. Het IMK heeft op basis van de aanvullende informatie geen aanleiding gezien de conclusie van het eerder uitgebrachte advies te herzien op de grond dat deze informatie leidt tot marginale financiële en commerciële verschillen in de bedrijfsvoering. Bij besluit van 11 maart 2003 heeft gedaagde onder verwijzing naar de vervolgrapportage van het IMK het bezwaar tegen het besluit van 27 februari 2002 ongegrond verklaard op de grond dat geen sprake is van een levensvatbaar bedrijf. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het besluit van 11 maart 2003 ongegrond verklaard. Daarbij heeft de rechtbank - samengevat - overwogen dat gedaagde op juiste gronden heeft besloten tot handhaving van de afwijzing van het gevraagde bedrijfskrediet. Uit de beschikbare gegevens kan niet worden afgeleid dat ten tijde van het primaire besluit op overtuigende wijze sprake was van een reële verwachting dat binnen korte tijd voldoende bestellingen zouden worden geplaatst om het bedrijf van appellant levensvatbaar te doen zijn. Appellant heeft zich in hoger beroep tegen deze uitspraak gekeerd. Hiertoe heeft hij aangevoerd dat ten tijde van het primaire besluit wel degelijk sprake was van een levensvatbaar bedrijf. De adviezen van het IMK zijn onzorgvuldig tot stand gekomen. Het IMK heeft ten onrechte geen rekening gehouden met afnameovereenkomsten inzake de modelbouw. De ontwerpperiode van dat product beslaat enkele weken, waardoor de omzet eerst in 2002 is gegenereerd. Verder is de modelbouw naast het bestaande product maquettebouw gekomen en niet in de plaats van. Ten slotte heeft het IMK ten onrechte alleen de kosten doorgerekend, maar niet de verwachte omzet overeenkomstig bepaald. De Raad komt tot de volgende beoordeling. Ingevolge artikel 8, eerste lid, van de Abw wordt aan de zelfstandige die gedurende een redelijke termijn als zodanig werkzaam is geweest en wiens bedrijf of zelfstandig beroep levensvatbaar is, gedurende ten hoogste 12 maanden algemene bijstand verleend. Het vijfde lid van artikel 8 van de Abw voorziet tevens in de mogelijkheid van verlening van bijstand ter voorziening in de behoefte aan bedrijfskapitaal. Volgens het bepaalde in artikel 1, aanhef en onder b, van het krachtens artikel 8, zesde lid (oud), van de Abw vastgestelde Bbz wordt onder levensvatbaar bedrijf verstaan: het bedrijf of zelfstandig beroep waaruit de zelfstandige naar verwachting na bijstandverlening een inkomen zal verwerven, dat samen met het overige inkomen, toereikend is voor de voortzetting van het bedrijf of zelfstandig beroep en voor de voorziening in het bestaan. Blijkens de toelichting op deze bepaling impliceert dit dat het inkomen vermeerderd met de afschrijvingen toereikend dient te zijn om aan alle aflossingsverplichtingen te voldoen, dat voldoende middelen beschikbaar zijn om het bedrijf op peil te houden en dat voorts wordt voorzien in de kosten van het bestaan. Uit de toelichting blijkt verder dat het inkomen, gelet op het tijdelijke karakter van de bijstand na afloop van de periode waarover bijstand wordt verleend toereikend moet zijn. Daarbij dient de verwachting te bestaan dat de zelfstandige na de periode van bijstandverlening geheel zelfstandig in het bestaan kan voorzien. Of en wanneer het inkomen toereikend zal zijn, zal aan de hand van gegevens uit het verleden en een reële begroting getoetst moeten worden. In het in te stellen onderzoek zal aan de hand van commerciële en bedrijfseconomische gegevens worden bezien wat de perspectieven van het bedrijf of beroep zijn. In dit geding dient beoordeeld te worden of gedaagde op goede gronden tot de conclusie is gekomen dat het bedrijf van appellant niet levensvatbaar was. Daarvoor is naar vaste rechtspraak de situatie ten tijde van het primaire besluit van 27 februari 2002 bepalend. Gegevens van na deze laatste datum kunnen in het licht van het voorgaande niet worden betrokken bij de beoordeling of in de periode ten tijde in geding de verwachting bestond dat het bedrijf van appellant levensvatbaar was. Gedaagde heeft zijn beslissing, zoals uit de hiervoor weergegeven feiten blijkt, gebaseerd op een tweetal rapporten van het IMK. Volgens vaste jurisprudentie van de Raad is een bijstandsverlenend orgaan in zaken als de onderhavige in de regel gerechtigd om zich bij zijn besluitvorming te baseren op in concreto verkregen adviezen van deskundige instanties als het IMK. De Raad acht - evenals de rechtbank - in dit geval geen situatie aanwezig waarin deze regel niet op zou gaan. De Raad leidt uit genoemde rapporten van het IMK af dat, met uitzondering van de bestelling van 15 februari 2002 ten tijde in geding geen concrete opdrachten waren ontvangen. Ten aanzien van het bestaande product de maquettebouw waren ten tijde in geding evenmin concrete opdrachten onderhanden. Bij ongewijzigd beleid, waarbij de aandacht volledig is gericht op het nieuwe product, verwacht het IMK dat de omzet in 2002 op hetzelfde niveau blijft als in
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.