E N K E L V O U D I G E K A M E R 04/1407 NABW U I T S P R A A K in het geding tussen: [appellant], wonende te Turkije, appellant, en het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Hoogezand-Sappemeer, gedaagde. I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING Namens appellant heeft mr. R. van Asperen, advocaat te Groningen, hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank Groningen van 19 februari 2004, reg.nr. 02/784 NABW. Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend. Het geding is behandeld ter zitting van 26 april 2005, waar appellant, zoals aangekondigd, niet is verschenen en waar gedaagde zich heeft laten vertegenwoordigen door mr. I.M. Klok en A.M. Smeenk, beiden werkzaam bij de gemeente Hoogezand-Sappe.meer. II. MOTIVERING De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden. Bij besluit van 18 juli 2001 heeft gedaagde de aanvraag om bijstand van appellant afgewezen onder verwijzing naar artikel 7, tweede lid, van de Algemene bijstandswet (Abw). Tegen dit besluit heeft appellant bezwaar gemaakt. Tevens heeft hij aan de president van de rechtbank verzocht om een voorlopige voorziening te treffen. Bij uitspraak van 28 augustus 2001 heeft de president van de rechtbank Groningen dit verzoek toegewezen en een voorlopige voorziening getroffen. Gedaagde werd in dat kader opgedragen om met ingang van 1 juli 2001 aan appellant bijstand toe te kennen tot zes weken na de beslissing op bezwaar. Bij besluit op bezwaar van 8 oktober 2001 heeft gedaagde het bezwaar tegen het besluit van 18 juli 2001 ongegrond verklaard. Door de president van de rechtbank is het beroep tegen het besluit van 8 oktober 2001 ongegrond verklaard en in hoger beroep is deze uitspraak door de voorzieningenrechter van de Raad bij uitspraak van 26 maart 2002 bevestigd. Bij besluit van 17 april 2002 heeft gedaagde de kosten van bijstand over de periode van 1 juli 2001 tot en met 19 november 2001 op grond van artikel 81, eerste lid, van de Abw van appellant teruggevorderd. Hierbij heeft gedaagde overwogen dat op grond van de uitspraak van de voorzieningenrechter van de Raad van 26 maart 2002 vaststaat dat aan appellant over genoemde periode ten onrechte bijstand is verleend. Bij besluit van 19 augustus 2002 heeft gedaagde het bezwaar tegen het besluit van 17 april 2002 ongegrond verklaard. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het besluit van 19 augustus 2002 ongegrond verklaard. Appellant heeft zich in hoger beroep tegen deze uitspraak gekeerd. Volgens appellant is in zijn geval niet artikel 81, eerste lid, van de Abw van toepassing maar artikel 81, tweede lid, van de Abw. Voorts meent appellant dat terugvordering niet aan de orde kan zijn omdat hij niet redelijkerwijs kon begrijpen dat de verleende bijstand zou worden teruggevorderd nu deze was verleend op grond van een rechterlijke uitspraak. De Raad komt tot de volgende beoordeling. De Raad stelt in de eerste plaats vast dat door de uitspraak van de voorzieningenrechter van de Raad van 16 maart 2002 de grondslag is komen te ontvallen aan de betalingen aan appellant over de periode van 1 juli 2001 tot en met 19 november
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.