03/2375 AAW U I T S P R A A K in het geding tussen: [appellant], wonende te [woonplaats], appellant, en de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, gedaagde. I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING Met ingang van 1 januari 2002 is de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen in werking getreden. Ingevolge de Invoeringswet Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen treedt in dit geding de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) in de plaats van het Landelijk instituut sociale verzekeringen (Lisv). In deze uitspraak wordt onder gedaagde mede verstaan het Lisv. Namens appellant heeft mr. W.C. de Jonge, advocaat te Vlaardingen, op daartoe bij aanvullend beroepschrift aangevoerde gronden hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 29 april 2003, nr. AAW 02/1715, waarnaar hierbij wordt verwezen. Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend. Vervolgens heeft mr. De Jonge bij brieven van 20 januari en 12 februari 2004 nog nadere gegevens in het geding gebracht. Gedaagde heeft bij brief van 6 augustus 2004 gereageerd op deze gegevens. Het geding is behandeld ter zitting van de Raad op 29 april 2005, waar appellant – met kennisgeving – niet is verschenen en waar gedaagde zich heeft doen vertegenwoordigen door mr. M.K. Dekker, werkzaam bij het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen II. MOTIVERING Appellant is werkzaam geweest als zelfstandig beheerder van een koffiehuis in [woonplaats]. In 1988 heeft hij de exploitatie van zijn koffiehuis tijdelijk beëindigd, na de verkoop van zijn bedrijfspand in het kader van de stadsvernieuwing. Vervolgens heeft hij eerst in 1996 de exploitatie van zijn koffiehuis in een nieuw pand kunnen hervatten, omdat aanvankelijk een horeca- en vestigingsvergunning was geweigerd. Gedurende het tijdvak vanaf 1988 tot in 1996 heeft appellant een bijstandsuitkering ontvangen. In 1997 heeft appellant de exploitatie van het koffiehuis gestaakt in verband met diverse lichamelijke klachten. In juli 1999 heeft appellant een aanvraag ingediend bij gedaagde voor een uitkering ingevolge de Algemene Arbeidsongeschiktheidswet (AAW), waarbij is aangegeven dat de arbeidsongeschiktheid van appellant in 1997 is ingetreden. Bij besluit van 6 juni 2000 heeft gedaagde afwijzend op deze aanvraag beslist. Daarbij is overwogen dat de eerste arbeidsongeschiktheidsdag van appellant arbitrair is vastgesteld op 1 juli 1990 en dat appellant in het jaar voorafgaande aan deze datum geen inkomen uit arbeid, of een daarmee gelijk te stellen inkomen, heeft verworven. Het door appellant op 5 september 2000 tegen dit besluit ingediende bezwaarschrift heeft gedaagde bij beslissing op bezwaar van 13 november 2000 niet-ontvankelijk verklaard. Appellant heeft geen rechtsmiddelen aangewend tegen dit besluit. Appellant heeft vervolgens bij brief van 2 december 2000 aan gedaagde verzocht het besluit van 6 juni 2000 te herzien, onder verwijzing naar een brief van zijn huisarts waarin wordt aangegeven dat het aannemelijk is dat de arbeidsongeschiktheid van appellant eerst in de loop van de jaren na 1994 is ingetreden. Bij besluit van 5 juli 2001 heeft gedaagde wederom geweigerd een uitkering ingevolge de AAW aan appellant toe te kennen. Aan dit besluit ligt een rapportage van een verzekeringsarts ten grondslag die heeft geconcludeerd dat er mogelijk reeds vanaf 1990, maar in ieder geval vanaf 1994 sprake is van beperkingen bij appellant welke worden veroorzaakt door ziekte of gebrek en welke nadien niet aantoonbaar zijn gewijzigd. Naar aanleiding van de namens appellant tegen dit besluit aangevoerde bezwaren heeft een bezwaarverzekeringsarts van gedaagde geadviseerd als eerste arbeidsongeschiktheidsdag van appellant uit te gaan van 12 mei 1993, omdat vanaf die datum sprake is van objectief vastgestelde afwijkingen aan de ellebogen van appellant en er sindsdien diverse beperkingen gelden voor appellant. Bij beslissing op bezwaar van 27 juni 2002, hierna: het bestreden besluit, heeft gedaagde de bezwaren van appellant ongegrond verklaard, overwegende dat appellant ook in het jaar voorafgaande aan 12 mei 1993 geen inkomen uit arbeid, of een daarmee gelijk te stellen inkomen, heeft verworven. De rechtbank heeft het bestreden besluit aangemerkt als een weigering van gedaagde terug te komen van een eerder genomen tussen partijen rechtens onaantastbaar geworden besluit waarbij geweigerd is een uitkering krachtens de AAW aan appellant toe te kennen. Voorts heeft de rechtbank overwogen dat namens appellant geen feiten of omstandigheden zijn aangedragen die, zo zij ten tijde van het nemen van het oorspronkelijke besluit zouden zijn geweest, aanleiding zouden hebben moeten geven tot het nemen van een inhoudelijk ander besluit, zodat gedaagde in redelijkheid heeft kunnen beslissen niet terug te komen van het besluit van 6 juni
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.