03/5402 WW 03/5767 WW U I T S P R A A K in het geding tussen: [betrokkene], wonende te [woonplaats], hierna: [betrokkene], en de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, hierna: het Uwv. I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING Met ingang van 1 januari 2002 is de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen in werking getreden. Ingevolge de Invoeringswet Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen treedt in dit geding het Uwv in de plaats van het Landelijk instituut sociale verzekeringen (Lisv). In deze uitspraak wordt onder het Uwv tevens verstaan het Lisv. Het Uwv heeft op bij aanvullend beroepschrift aangegeven gronden hoger beroep ingesteld tegen een onder nummer AWB 02/670 door de rechtbank Maastricht op 23 oktober 2003 tussen partijen gewezen uitspraak (hierna: de aangevallen uitspraak), waarnaar hierbij wordt verwezen. Namens [betrokkene] heeft mr. H.G.M.F. Rothkranz, advocaat te Maastricht, op bij aanvullend beroepschrift aangegeven gronden hoger beroep ingesteld tegen genoemde uitspraak. Bij die gelegenheid is tevens een verweerschrift ingediend. Ook het Uwv heeft een verweerschrift ingediend. Het geding is behandeld ter zitting van 13 april 2005, waar [betrokkene] is verschenen, bijgestaan door mr. drs. A.I. van den Bergh, kantoorgenoot van mr. Rothkranz, terwijl het Uwv zich heeft doen vertegenwoordigen door mr. B. Drossaert. II. MOTIVERING De Raad stelt voorop dat het in dit geding aan de orde zijnde geschil wordt beoordeeld aan de hand van de Werkloosheidswet (WW) zoals die luidde ten tijde hier van belang. [betrokkene], geboren in 1947, is op 1 augustus 1972 in dienst getreden van (een rechts-voorganger van) Conferentiecentrum Vaeshartelt B.V. (hierna: werkgever). Zij was aanvankelijk werkzaam als medewerker voeding/restaurant en als kok en, na een periode van arbeidsongeschiktheid en wijziging van funcies, sedert begin 2001 als medewerkster vergaderservice. Op 30 maart 2001 heeft de werkgever de Regionaal Directeur Arbeidsvoorziening verzocht om een vergunning om de arbeidsovereenkomst met [betrokkene] te beëindigen. Nadat [betrokkene] daartegen verweer heeft gevoerd, is de gevraagde toestemming op 31 mei 2001 verleend. De werkgever heeft vervolgens op 11 juni 2001 de arbeidsovereenkomst met [betrokkene] per 1 november 2001 opgezegd. Op 22 november 2001 heeft [betrokkene] een WW-uitkering aangevraagd. Bij besluit van 13 december 2001 heeft het Uwv de uitkering per 1 november 2001 blijvend geheel geweigerd onder de overweging dat [betrokkene] verwijtbaar werkloos was geworden door zich bij de werkgever zo te gedragen dat zij kon of behoorde te weten dat ontslag zou volgen. De daartegen gerichte bezwaren zijn bij het thans bestreden besluit van 3 november 2002 ongegrond verklaard met dien verstande dat aan de blijvend gehele weigering ten grondslag is gelegd dat [betrokkene] door eigen toedoen passende arbeid niet heeft behouden, als bedoeld in artikel 24, eerste lid, onder b, ten derde, van de WW. [betrokkene] heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Op 22 mei 2003 is haar beroep ter zitting van de rechtbank behandeld. De rechtbank heeft het onderzoek heropend, aangezien [betrokkene] inmiddels in een procedure voor de kantonrechter te Maastricht had gevorderd dat de werkgever zou worden veroordeeld tot een schadevergoeding omdat het haar gegeven ontslag per 1 november 2001 kennelijk onredelijk zou zijn. Bij vonnis van 9 juli 2003 heeft de kantonrechter uitspraak gedaan en geoordeeld dat het ontslag kennelijk onredelijk is omdat de gevolgen van dat ontslag voor [betrokkene] te ernstig waren in vergelijking met de belangen van de werkgever, nu de werkgever niet bereid was om de gevolgen van dat ontslag op enigerlei wijze te verzachten. De kantonrechter heeft daarbij tevens geoordeeld dat de beëindiging van de arbeidsovereenkomst en de daarbij opgetreden spanningen in ieder geval voor een deel aan de opstelling van [betrokkene] te wijten is geweest. De kantonrechter heeft [betrokkene] daarbij een schadevergoeding van € 45.000,-- toegewezen. De rechtbank heeft vervolgens bij de aangevallen uitspraak het tegen het bestreden besluit ingestelde beroep gegrond verklaard. De rechtbank heeft daarbij overwogen dat de kantonrechter ten aanzien van het ontslag heeft geoordeeld dat de oorzaak hiervoor zowel aan [betrokkene] als aan haar voormalige werkgever moet worden toegerekend. De rechtbank deelde dit oordeel. Om die reden was de rechtbank van oordeel dat [betrokkene] niet in over-wegende mate was te verwijten dat zij door eigen toedoen geen passende arbeid heeft behouden. De rechtbank heeft daarbij onder toepassing van artikel 8:72, vierde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) bepaald dat de uitkering van [betrokkene] gedeeltelijk wordt geweigerd over een periode van 26 weken door het uitkeringspercentage te verlagen van 70 naar
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.