03/4394 WAO U I T S P R A A K in het geding tussen: [appellant], wonende te [woonplaats], appellant, en de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, gedaagde. I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING Namens appellant heeft mr. J.J. Brugge, advocaat te Terneuzen, hoger beroep ingesteld tegen een door de rechtbank Middelburg op 22 juli 2003 (reg. nr. Awb 03/15) tussen partijen gegeven uitspraak, waarnaar hierbij wordt verwezen. Op 13 november 2003 heeft mr. H. Klein Hesselink, advocaat te Terneuzen, als opvolgend gemachtigde, de gronden van het beroep ingediend. Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend. Namens appellant zijn op 15 april 2005 nadere stukken ingezonden. Het geding is behandeld ter zitting van de Raad op 27 april 2005, waar namens appellant is verschenen mr. Klein Hesselink, voornoemd, en waar gedaagde niet is verschenen. II. MOTIVERING Appellant was sedert 8 mei 2000 werkzaam via een uitzendbureau als glaspakker bij Sas Glas. Op 19 juni 2000 is hij uitgevallen met een ernstige verwonding aan de rechteronderarm. Op 9 oktober 2000 is appellant weer aan het werk gegaan. Op 15 februari 2001 heeft appellant, die dominant rechtshandig is, zich ziek gemeld met klachten van pijn en zwelling aan de rechteronderarm. Naar blijkt uit de medische kaart heeft appellant in verband met deze klachten op 5 maart, 2 april, 31 mei, 23 juli, 18 september en 9 oktober 2001 in het kader van de Ziektewet het spreekuur van een verzekeringsarts bezocht. Geleidelijk hebben zich bij appellant ook psychische klachten ontwikkeld. Op 13 december 2001 is appellant onderzocht door verzekeringsarts G. Ouwehand, die mede op basis van informatie van de behandelaars van appellant concludeerde tot spier- en peesletsel aan de rechterarm en een depressie in remissie en informatie opvroeg bij de behandelend artsen van appellant. Hij legde de beperkingen van appellant vast in een belastbaarheidspatroon. Vervolgens heeft arbeidsdeskundige R. Buzeijn functies geselecteerd en op basis van het uurloon van de functie chauffeur bestelauto het verlies aan verdiencapaciteit van appellant berekend op 33,3%. Bij besluit van 5 april 2002 is appellant per 13 februari 2002 een uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) toegekend, berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 25 tot 35%. Bij besluit van 28 november 2002 (hierna: het bestreden besluit) heeft gedaagde de bezwaren van appellant tegen het besluit van 5 april 2002 ongegrond verklaard. De rechtbank heeft het namens appellant tegen het bestreden besluit ingestelde beroep ongegrond verklaard. Namens appellant is in hoger beroep aangevoerd dat onvoldoende aandacht is besteed aan zijn psychische klachten. Voorts acht appellant zich door zijn ernstige armklachten meer beperkt ten aanzien van tillen en stelt dat hij wegens de medicijnen die hij voor zijn depressieve klachten gebruikt niet mag autorijden, waardoor hij de functie van chauffeur bestelauto (fb-code 9855) niet kan vervullen. Bovendien meent appellant dat genoemde fb-code niet aan de schatting ten grondslag mag worden gelegd omdat de daaronder vallende functies op één na allemaal deeltijdfuncties zijn. De Raad oordeelt als volgt. Naar het oordeel van de Raad is het bestreden besluit gebaseerd op een zorgvuldig medisch onderzoek. Zowel de primaire verzekeringsarts als de bezwaarverzekeringsarts hebben appellant onderzocht en beschikten bij hun beoordeling over informatie van appellants behandelaars. De door appellant toegezonden nadere medische informatie geeft de Raad geen aanleiding te twijfelen aan de voor appellant vastgestelde beperkingen. Het rapport van psychiater F.W. van der Poel, die op 14 augustus 2004 aan de rechtbank heeft gerapporteerd in het kader van een nieuwe rechtszaak, heeft geen betrekking op de gezondheidstoestand van appellant ten tijde in geding maar op de situatie op het veel latere tijdstip 26 mei
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.