E N K E L V O U D I G E K A M E R 03/3957 WAZ U I T S P R A A K in het geding tussen: [appellant], wonende te [woonplaats], appellant, en de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, gedaagde. I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING Met ingang van 1 januari 2002 is de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen in werking getreden. Ingevolge de Invoeringswet Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen treedt in dit geding de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) in de plaats van het Landelijk instituut sociale verzekeringen (Lisv). In deze uitspraak wordt onder gedaagde tevens verstaan het Lisv. Namens appellant heeft R.T. van Baarlen, werkzaam bij de Fiscount Adviesgroep te Zwolle, op bij beroepschrift aangevoerde gronden hoger beroep ingesteld tegen een door de rechtbank Leeuwarden op 26 juni 2003, onder nummer 02/1086 WAZ, tussen partijen gegeven uitspraak, waarnaar hierbij wordt verwezen. Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend. Het geding is behandeld ter zitting van de Raad op 18 mei 2005, waar namens appellant is verschenen R.T. van Baarlen, voornoemd, en waar namens gedaagde is verschenen T. Hollander, werkzaam bij het UWV. II. MOTIVERING Appellant was directeur/grootaandeelhouder van een B.V., waarin een wapenhandel annex sportartikelenzaak/dumpshop was ondergebracht. Op 6 juni 2000 heeft hij een aanvraag voor een uitkering ingevolge de Wet arbeidsongeschikt- heidsverzekering zelfstandigen (WAZ) ingediend wegens sedert 10 april 1999 bestaande arbeidsongeschiktheid. Na onderzoek op 15 augustus 2000 heeft verzekeringsarts J.J. Smits blijkens zijn rapport van 12 september 2000 als diagnose gesteld chronische aspecifieke rugklachten, chronisch pijnsyndroom, schouderklachten rechts en ontbrekend gebruik van de linkerhand wegens een aangeboren afwijking. Smits acht de claim van appellant ten aanzien van het huidig functioneren niet consistent met het dagverhaal, de bevindingen van zijn eigen onderzoek en de informatie van de behandelende sector. Appellant heeft hem niet duidelijk kunnen maken waarom hij met zijn klachten zijn eigen werk niet meer zou kunnen verrichten. Bovendien is volgens Smits geen sprake van adequaat herstelgedrag, nu de in de afgelopen twee jaar geadviseerde therapie niet heeft plaatsgevonden, waardoor de functie van het spierkorset van appellant nog verder is verslechterd en een chronisch pijnsyndroom is ontstaan. Smits heeft appellant niet arbeidsongeschikt geacht voor het eigen werk en is van oordeel dat in de afgelopen 2 1/2 jaar ook geen periode van 52 weken is aan te wijzen dat appellant arbeidsongeschikt is geweest. Vervolgens heeft gedaagde bij besluit van 7 november 2000 appellants aanvraag van een WAZ-uitkering afgewezen. Bezwaarverzekeringsarts N. Visser heeft appellant onderzocht, de diagnose van Smits bevestigd en vastgesteld dat appellant niet kan aangeven wanneer de huidige klachten zijn begonnen c.q. toegenomen. Hij acht de sedert 1975 bestaande rugklachten wel plausibel, maar hij acht niet plausibel dat appellant daarmee zijn werk niet meer zou kunnen verrichten. Vervolgens heeft Visser uit zorgvuldigheidsoverwegingen bezwaararbeidsdeskundige G. Huisman gevraagd een onderzoek te doen naar het werk van appellant. Uit het rapport van Huisman van 19 april 2002 blijkt dat appellant een winkel runde waar wapens en munitie werden verkocht annex sportkleding en sport-, camping- en dumpartikelen, en dat hij tevens wapens repareerde. Appellant runde deze zaak alleen, maar had de laatste jaren wel hulp bij het laden en lossen. Huisman heeft geconstateerd dat het bedrijf in het voorjaar van 1999 is opgeheven nadat de vergunning op last van justitie was ingetrokken. Hieruit heeft hij geconcludeerd dat de beëindiging van zijn werkzaamheden door appellant lijkt samen te vallen met de bedrijfsbeëindiging. Hij concludeert voorts dat ook vanuit arbeidskundig oogpunt de wachttijd van 52 weken niet is doorlopen. Vervolgens heeft gedaagde bij besluit van 3 september 2002 (hierna: het bestreden besluit) het bezwaar ongegrond verklaard. De rechtbank heeft het beroep van appellant gegrond verklaard omdat na het uitbrengen van het arbeidskundig rapport een tweede hoorzitting achterwege is gebleven en het bestreden besluit vernietigd, maar de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand gelaten met bepalingen ten aanzien van proceskosten en griffierecht. Namens appellant is in hoger beroep aangevoerd dat de wachttijd is aangevangen op uiterlijk 1 april 1999 en is geëindigd op 1 april
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.