03/2484 WW U I T S P R A A K in het geding tussen: [appellante], wonende te [woonplaats], appellante, en de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, gedaagde. I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING Met ingang van 1 januari 2002 is de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen in werking getreden. Ingevolge de Invoeringswet Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen treedt in dit geding de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) in de plaats van het Landelijk instituut sociale verzekeringen (Lisv). In deze uitspraak wordt onder gedaagde tevens verstaan het Lisv. Namens appellante heeft mr. A.Z. van Braam, medewerker van Rechtshulp Noord te Leeuwarden, op bij aanvullend beroepschrift aangegeven gronden hoger beroep ingesteld tegen een door de rechtbank Leeuwarden op 9 april 2003, onder nummer 02/683 WW, tussen partijen gewezen uitspraak, waarnaar hierbij wordt verwezen. Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend. Het geding is ter zitting van 2 februari 2005 ter behandeling aan de orde gesteld. Partijen zijn niet verschenen. II. MOTIVERING De Raad stelt voorop dat het in dit geding aan de orde zijnde geschil wordt beoordeeld aan de hand van de Werkloosheidswet (WW) en de daarop berustende bepalingen, zoals die luidden ten tijde als hier van belang. De Raad gaat uit van de volgende feiten. Aan appellante is met ingang van 1 maart 2000 een WW-uitkering toegekend naar een gemiddeld aantal arbeidsuren van 15 per week nadat zij werkloos was geworden uit een dienstbetrekking bij de Audiovisuele beroepsvereniging NBF. Van 1 januari 1998 tot 1 augustus 2001 was appellante daarnaast voor 15 uur per week office-manager in dienst van de Vereniging ter exploitatie van vertoningsrechten op audiovisueel materiaal te Amsterdam (hierna: Vevam). Deze dienstbetrekking is per 1 augustus 2001 ontbonden door de kantonrechter. In verband met hierdoor geleden verlies van arbeidsuren heeft appellante op 13 augustus 2001 bij gedaagde een aanvraag ingediend ter verkrijging van een uitkering ingevolge de WW. Op het aanvraagformulier heeft appellante bij de vraag naar het aantal uren dat zij wil werken ingevuld: “in totaal 15 uur per week”. Tijdens een intakegesprek met een medewerker van het Centrum voor Werk en Inkomen (hierna: CWI) heeft appellante blijkens het daarvan opgemaakte rapport aangegeven dat zij in totaliteit maximaal 15 uur per week beschikbaar is. Als verklaring daarvoor heeft zij gesteld dat zij een alleenstaande moeder is van een jong kind en dat zij dit kind wil verzorgen. Gedaagde heeft uit deze informatie afgeleid dat appellante voor het aantal uren waarin zij werkzaam is geweest voor Vevam niet beschikbaar is geworden voor arbeid en dat zij daarom niet werkloos is geworden in de zin van artikel 16, eerste lid, van de WW. Om die reden heeft hij bij besluit van 23 november 2001 bepaald dat appellante geen tweede recht heeft op een WW-uitkering. Gedaagde heeft dit besluit, na daartegen gemaakt bezwaar en onder vaststelling van de eerste werkloosheidsdag met toepassing van artikel 16, derde lid, van de WW op 1 oktober 2001, gehandhaafd bij het bestreden besluit van 31 mei
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.