E N K E L V O U D I G E K A M E R 04/5703 WW U I T S P R A A K in het geding tussen: [appellant], wonende te [woonplaats], appellant, en de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, gedaagde. I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING Met ingang van 1 januari 2002 is de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen in werking getreden. Ingevolge de Invoeringswet Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen treedt in dit geding de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) in de plaats van het Landelijk instituut sociale verzekeringen (Lisv). In deze uitspraak wordt onder gedaagde tevens verstaan het Lisv. Appellant heeft op bij beroepschrift aangegeven gronden hoger beroep ingesteld tegen een door de rechtbank ‘s-Gravenhage op 8 september 2004 tussen partijen gewezen uitspraak, waarnaar hierbij wordt verwezen. Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend. Het geding is behandeld ter zitting van 11 mei 2005, waar appellant in persoon is verschenen, bijgestaan door mr. G.E.M. Later, advocaat te ’s-Gravenhage en waar gedaagde zich heeft doen vertegenwoordigen door A.W.G. Determan, werkzaam bij het Uwv. II. MOTIVERING Het in dit geding aan de orde zijnde geschil wordt beoordeeld aan de hand van de Werkloosheidswet (WW) en de daarop berustende bepalingen, zoals die luidden ten tijde als hier van belang. Voor een uitgebreidere weergave van de in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden wordt verwezen naar de aangevallen uitspraak. De Raad volstaat met het volgende. Appellant, van Turkse nationaliteit, is naar eigen zeggen op 17 januari 1989 in Nederland gaan wonen. Op 17 januari 1995 heeft appellant voor de eerste maal om een vergunning tot verblijf verzocht, welk verzoek is afgewezen. Uiteindelijk is op 1 februari 1999 alsnog aan appellant een verblijfsvergunning verleend. Bij besluit van 20 mei 1999, heeft gedaagde afwijzend beslist op het namens appellant gedane verzoek om de drie besluiten van gedaagde, gedateerd 12 en 13 november 1997 en 28 april 1998, te herzien. Bij besluit van 4 februari 2004, het bestreden besluit, heeft gedaagde het besluit van 20 mei 1999 in bezwaar gehandhaafd. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het namens appellant tegen het bestreden besluit ingestelde beroep ongegrond verklaard omdat niet is gebleken van nieuwe feiten of omstandigheden die een verzoek om herziening kunnen rechtvaardigen. Uit de op 1 februari 1999 alsnog verleende verblijfsvergunning valt volgens de rechtbank niet af te leiden dat appellant ook daarvóór niet uitzetbaar was. Gedaagde heeft naar het oordeel van de rechtbank dan ook kunnen volstaan met te verwijzen naar het besluit van 20 mei
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.