04/764 WAO U I T S P R A A K in het geding tussen: [appellant], wonende te [woonplaats], appellant, en de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv), gedaagde. I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING Namens appellant heeft mr. M. Cuperus, juridisch adviseur te Amsterdam, op bij aanvullend beroepschrift aangegeven gronden hoger beroep ingesteld tegen de tussen partijen op 19 januari 2004 onder kenmerk 02/2976 door de rechtbank Amsterdam gewezen uitspraak. Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend. Het geding is behandeld ter zitting van de Raad, gehouden op 21 april 2005, waar appellant in persoon is verschenen en waar namens gedaagde is verschenen mr. M.J.M. Oltmans, werkzaam bij het Uwv, beide partijen zijn daartoe ambtshalve opgeroepen. II. MOTIVERING Voor een overzicht van de in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden en de toepasselijke regelgeving verwijst de Raad naar de aangevallen uitspraak. Hij volstaat hier met het volgende. Appellant is tot november 1977 werkzaam geweest als havenarbeider, waarna hij zijn werkzaamheden wegens letsel na een val van een steiger heeft moeten staken. Met ingang van 3 november 1978 heeft appellant een uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) ontvangen. Bij besluit van 4 augustus 1995 heeft gedaagde appellant medegedeeld dat zijn dagloon ingevolge de WAO met ingang van 25 september 1995 fl.173,70 bedraagt, tegen welk besluit appellant geen rechtsmiddelen heeft aangewend. Sinds 1 april 1997 is appellant werkzaam geweest als conciërge. De inkomsten uit die werkzaamheden zijn niet van invloed geweest op de arbeidsongeschiktheidsklasse waarin appellant is ingedeeld. Bij besluit van 10 september 2001 heeft gedaagde appellant medegedeeld dat hij met ingang van 27 september 1999 volledig arbeidsongeschikt is wegens toegenomen arbeidsongeschiktheid. De WAO-uitkering bedraagt 70% van 100/108 van het dagloon van fl.190,
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.