03/6279 AOW 03/6283 AOW 03/6284 AOW U I T S P R A A K in de gedingen tussen: [appellante], wonende te [woonplaats], appellante en de Raad van bestuur van de Sociale verzekeringsbank, gedaagde. I. ONTSTAAN EN LOOP VAN DE GEDINGEN Met ingang van 1 januari 2003 zijn de artikelen 3, 4 en 5 van de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen, voorzover het betreft de Sociale verzekeringsbank in werking getreden. Thans oefent gedaagde de taken en bevoegdheden uit die tot genoemde datum werden uitgeoefend door de Sociale Verzekeringsbank. In deze uitspraak wordt onder gedaagde tevens verstaan de Sociale Verzekeringsbank. Namens appellante heeft mr. G. Tuenter, advocaat te Apeldoorn, hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank Zutphen van 30 oktober 2003, reg.nrs. 02/1565, 02/1568 en 02/1569 AOW. Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend. De gedingen zijn gevoegd behandeld ter zitting van 17 mei 2005, waar appellante en haar gemachtigde, met voorafgaand bericht, niet zijn verschenen, en waar gedaagde zich heeft doen vertegenwoordigen door G.J. Janssen, werkzaam bij de Sociale verzekeringsbank. II. MOTIVERING De Raad gaat bij zijn oordeelsvorming uit van de volgende feiten en omstandigheden. Appellante is met ingang van 1 februari 1990 een ouderdomspensioen ingevolge de Algemene Ouderdomswet (AOW) toegekend naar de norm voor een ongehuwde. Bij besluit van 15 februari 1991 is het ouderdomspensioen van appellante met ingang van 1 februari 1991 nader vastgesteld naar de norm voor een ongehuwde die duurzaam een gezamenlijke huishouding voert. Bij besluit van dezelfde datum is appellante meegedeeld dat zij geen recht heeft op toeslag ingevolge de AOW. In verband met een wijziging in de omstandigheden van appellante heeft gedaagde bij besluit van 21 november 1991 het ouderdomspensioen van appellante met ingang van 1 november 1991 nader vastgesteld naar de norm voor een ongehuwde Naar aanleiding van een bij gedaagde binnengekomen tip dat appellante zou samenwonen met [betrokkene], is een onderzoek ingesteld naar de rechtmatigheid van het aan appellante verleende ouderdomspensioen. Op grond van de voorlopige onderzoeksbevindingen heeft gedaagde bij besluit van 15 april 2002 de betaling van het ouderdomspensioen van appellante naar de norm van een ongehuwde met ingang van 1 april 2002 geschorst. Verder heeft gedaagde naar aanleiding van de resultaten van een nader onderzoek bij besluit van 29 april 2002 het ouderdomspensioen van appellante met ingang van 1 november 1991 herzien naar een AOW-pensioen voor een gehuwde of een ongehuwde die samenwoont, op de grond dat appellante met [betrokkene] een gezamenlijke huishouding voert. Voorts heeft gedaagde bij afzonderlijk besluit van 29 april 2002 de hoogte van het ouderdomspensioen met ingang van 1 mei 2000 nader vastgesteld op € 543,71 bruto per maand in verband met het bereiken van de 65-jarige leeftijd van [betrokkene] in die maand. Bij drie afzonderlijke besluiten van 22 oktober 2002 heeft gedaagde de bezwaren tegen de besluiten van 15 en 29 april 2002 ongegrond verklaard. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het besluit van 29 april 2002 waarbij het ouderdomspensioen van appellante met ingang van 1 november 1991 is herzien niet ontvankelijk verklaard, en het beroep tegen de overige twee besluiten ongegrond verklaard. Appellante heeft zich in hoger beroep gemotiveerd tegen het oordeel van de rechtbank gekeerd. De Raad komt tot de volgende beoordeling. De schorsing van de uitbetaling Volgens het bepaalde in artikel 4 van de krachtens artikel 17, vijfde lid, van de AOW vastgestelde beschikking van de Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid van 12 juli 1985, voorzover van belang, is gedaagde bevoegd de uitbetaling van het ouderdomspensioen te schorsen, indien zij van oordeel is of vermoedt, dat tot intrekking of vermindering van een ouderdomspensioen dient te worden overgegaan. Volgens het van toepassing zijnde beleid maakt gedaagde van deze bevoegdheid gebruik in alle gevallen waarin er twijfels bestaan omtrent de rechtmatigheid van de uitkering. Met de rechtbank is de Raad van oordeel dat op grond van de voorlopige onderzoeks-bevindingen bij gedaagde het vermoeden kon bestaan dat appellante slechts recht had op een gehuwdenpensioen. Gedaagde heeft derhalve op goede gronden de uitbetaling van het ouderdomspensioen van appellante naar de norm van een ongehuwde met ingang van 1 april 2002 geschorst. De herziening van het ouderdomspensioen met ingang van 1 november 1991 De Raad is anders dan de rechtbank van oordeel dat appellante wel een procesbelang heeft bij een oordeel over de herziening van haar ouderdomspensioen met ingang van 1 november
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.