E N K E L V O U D I G E K A M E R 04/6483 AOW U I T S P R A A K in het geding tussen: [appellant], wonende te [woonplaats] (Marokko), appellant en de Raad van bestuur van de Sociale verzekeringsbank, gedaagde. I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING Met ingang van 1 januari 2003 zijn de artikelen 3, 4 en 5 van de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen, voorzover het betreft de Sociale verzekeringsbank in werking getreden. Thans oefent gedaagde de taken en bevoegdheden uit die tot genoemde datum werden uitgeoefend door de Sociale Verzekeringsbank. In deze uitspraak wordt onder gedaagde tevens verstaan de Sociale Verzekeringsbank. Namens appellant heeft zijn echtgenote hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 8 juni 2004, reg. nr. AWB 02/4932 AOW, waarnaar hierbij wordt verwezen. Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend. Het geding is behandeld ter zitting van de Raad op 30 juni 2005, waar appellant -met voorafgaand bericht- niet is verschenen en waar gedaagde zich heeft doen vertegenwoordigen door mr. B. Maarschalkerweerd, werkzaam bij de Sociale verzekeringsbank. II. MOTIVERING Bij besluit van 5 juli 2002 heeft gedaagde appellants verzoek om toelating tot de vrijwillige verzekering ingevolge de Algemene Ouderdomswet (AOW) en de Algemene nabestaandenwet (ANW) afgewezen onder overweging dat appellant zijn aanvraag niet binnen één jaar na het einde van zijn verplichte verzekering heeft ingediend. Bij besluit van 22 oktober 2002 (hierna: het bestreden besluit) heeft gedaagde het besluit van 5 juli 2002 na bezwaar gehandhaafd. De rechtbank heeft appellants beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. Zij heeft daartoe het volgende overwogen (waarbij voor eiser moet worden gelezen appellant en voor verweerder gedaagde). “ (…) Op grond van de artikelen 35 en 36 van de AOW en 63a en 63b van de Anw bestaat de bevoegdheid om, nadat de verplichte verzekering is geëindigd, de verzekering voor de AOW en de Anw op vrijwillige basis voort te zetten. De aanmelding voor de vrijwillige verzekering dient te geschieden binnen één jaar na het einde van de verplichte verzekering. Uit het dossier is niet duidelijk gebleken of eiser voor 1 januari 2000 verplicht verzekerd is geweest voor de AOW en Anw. In dit geding is dat niet van belang, omdat de verplichte verzekering -zo die al heeft bestaan- in ieder geval met ingang van 1 januari 2000 is geëindigd door het vervallen van artikel 26 KB
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.