E N K E L V O U D I G E K A M E R 03/5889 ANW U I T S P R A A K in het geding tussen: [appellante], wonende te [woonplaats], appellante, en de Raad van bestuur van de Sociale verzekeringsbank, gedaagde. I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING Met ingang van 1 januari 2003 zijn de artikelen 3, 4 en 5 van de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen, voorzover het betreft de Sociale verzekeringsbank in werking getreden. Thans oefent gedaagde de taken en bevoegdheden uit die tot genoemde datum werden uitgeoefend door de Sociale verzekeringsbank. In deze uitspraak wordt onder gedaagde tevens verstaan de Sociale verzekeringsbank. Appellante heeft hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank Leeuwarden van 13 november 2004, reg.nr. 03/639 ANW. Gedaagde heeft een verweerschrift ingezonden. Appellante heeft een nader stuk aan de Raad gezonden. Het geding is behandeld ter zitting van 7 juni 2005, waar appellante is verschenen en waar gedaagde zich heeft laten vertegenwoordigen door F.M. Aalders, werkzaam bij de Sociale verzekeringsbank. II. MOTIVERING De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden. Appellante is gehuwd geweest met [naam ex-echtgenoot]. Het huwelijk is op 8 juli 2002 door echtscheiding ontbonden. Appellante en [naam ex-echtgenoot] zijn nadien daadwerkelijk gescheiden gaan leven. In het kader van de echtscheiding is aan [naam ex-echtgenoot] niet de verplichting opgelegd om aan appellante alimentatie te betalen. Appellante heeft ook niet uit andere hoofde een bijdrage voor haar levensonderhoud van [naam ex-echtgenoot] ontvangen. Op 7 februari 2003 is [naam ex-echtgenoot] overleden. Appellante heeft op 6 maart 2003 een aanvraag om uitkering ingevolge de Algemene nabestaandenwet (Anw) ingediend. Gedaagde heeft bij besluit van 25 maart 2003 afwijzend op de aanvraag beslist op de grond dat een Anw-uitkering alleen kan worden betaald aan een nabestaande, waarbij als nabestaande geldt degene die met de overledene een gezamenlijke huishouding voerde of degene aan wie de overledene alimentatie diende te betalen. Het tegen het besluit van 25 maart 2003 gemaakte bezwaar is bij besluit van 12 mei 2003 ongegrond verklaard. Bij de aangevallen uitspraak is het beroep tegen het besluit van 12 mei 2003 ongegrond verklaard. Appellante heeft zich in hoger beroep tegen dat oordeel gekeerd. Zij heeft aangevoerd dat zij 35 jaar gehuwd is geweest met [naam ex-echtgenoot] en dat haar ex-echtgenoot manisch depressief was en aan alcohol verslaafd, waardoor sprake was van zeer moeilijke omstandigheden. Ten behoeve van haar gezin heeft zij uiteindelijk, hoewel zij wist dat [naam ex-echtgenoot] niet lang meer te leven had, voor een echtscheiding gekozen. Nu blijkt dat zij daarmee haar aanspraak op een Anw-uitkering heeft verspeeld, wat zij zeer onrechtvaardig vindt. Appellante heeft voorts aangevoerd dat er na de echtscheiding nog wel sprake was van een financiële band met [naam ex-echtgenoot], aangezien zij bijdroeg in zijn vaste lasten. Onder overlegging van een verklaring van de huisarts heeft zij ten slotte aangevoerd dat [naam ex-echtgenoot] vanwege zijn geestelijke toestand niet in staat is geweest alimentatie aan haar te betalen. Gedaagde heeft in hoger beroep gepersisteerd bij zijn standpunt dat de Anw geen ruimte biedt om aan appellante een nabestaandenuitkering toe te kennen. De Raad overweegt het volgende. Artikel 14, eerste lid, aanhef en onder c, van de Anw bepaalt dat recht heeft op een nabestaandenuitkering de nabestaande die geboren is voor 1 januari
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.