04/463 WAO + 04/572 WAO U I T S P R A A K in het geding tussen: de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, appellant en tevens gedaagde, hierna te noemen: het Uwv, en [naam belanghebbende], wonende te [woonplaats], gedaagde en tevens appellant, hierna te noemen: belanghebbende. I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING Met ingang van 1 januari 2002 is de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen in werking getreden. Ingevolge de Invoeringswet Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen treedt in dit geding de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) in de plaats van het Landelijk instituut sociale verzekeringen (Lisv). In deze uitspraak wordt onder het Uwv mede verstaan het Lisv. Partijen zijn op daartoe bij aanvullend beroepschrift respectievelijk bij beroepschrift aangevoerde gronden in hoger beroep gekomen van de uitspraak van de rechtbank Roermond van 16 december 2003, nr. 02/1304 WAO, waarnaar hierbij wordt verwezen. Partijen hebben ieder een verweerschrift ingediend. Het geding is – gevoegd met de gedingen 03/1795, 03/1793, 03/1794, 03/2529 en 03/2530 WAO – behandeld ter zitting van de Raad op 29 april 2005, waar het Uwv zich heeft doen vertegenwoordigen door M.J.H. Steeghs, werkzaam bij het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, en waar belanghebbende in persoon is verschenen, bijgestaan door mr. B. van der Horst, advocaat te Maarheeze. II. MOTIVERING Voor de voorgeschiedenis verwijst de Raad naar rubriek II van zijn uitspraak van heden in de gedingen 03/1795 en 03/1793 WAO. Bij besluit van 29 mei 2002 heeft het Uwv belanghebbende, aangezien hij geen informatie had verstrekt over zijn sociaal-financiële situatie, gelast de vordering van € 15.658,90 aan ten onrechte ontvangen WAO-uitkering vóór 1 juni 2002 terug te betalen. Bij brief van 31 mei 2002 heeft de gemachtigde van belanghebbende tegen het besluit van 29 mei 2002 bezwaar gemaakt en op 6 juni 2002 heeft hij het Uwv een voorstel voor een betalingsregeling doen toekomen, inhoudende betaling van € 541,15 per maand gedurende 12 maanden via verrekening met zijn lopende uitkering en afgifte van een bankgarantie voor het resterende bedrag. Op 14 juni 2002 heeft het Uwv de gemachtigde van belanghebbende bericht dat de voorgestelde betalingsregeling is geaccepteerd. Bij beslissing op bezwaar van 12 november 2002 (hierna: het bestreden besluit) heeft het Uwv belanghebbendes bezwaar tegen het besluit van 29 mei 2002 niet-ontvankelijk verklaard, omdat hij – gelet op de overeengekomen betalingsregeling – geen belang meer heeft bij een inhoudelijke beoordeling van het besluit. Voorzover belanghebbende meent nog wel belang te hebben bij het bezwaar, is dit bezwaar door het Uwv ongegrond verklaard. De rechtbank heeft in de aangevallen uitspraak overwogen dat, nu het Uwv belanghebbendes bezwaar tegen het primaire besluit niet-ontvankelijk heeft verklaard, het hem in verband met het bepaalde in de artikelen 7:1, eerste en tweede lid, en 7:11, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) niet meer vrij stond het bezwaar vervolgens ongegrond te verklaren. Om die reden heeft de rechtbank het bestreden besluit - onder gegrondverklaring van het beroep - in zoverre vernietigd en een proceskosten-veroordeling uitgesproken. De rechtbank is vervolgens tot het oordeel gekomen dat het Uwv het bezwaar terecht niet-ontvankelijk heeft verklaard, aangezien met de overeengekomen betalingsregeling de in het besluit van 29 mei 2002 opgelegde verplichting om de vordering ineens te voldoen is komen te vervallen en belanghebbende dientengevolge geen belang meer heeft bij een inhoudelijke beoordeling van het besluit. Het hoger beroep van het Uwv richt zich met name tegen de door de rechtbank uitgesproken gegrondverklaring van het beroep voorzover strekkend tot ongegrondverklaring van het bezwaarschrift en de daarmee gepaard gaande veroordeling in de kosten van de beroepsprocedure en de vergoeding van het griffierecht. Naar de mening van het Uwv had de rechtbank eerst de primaire grond van het bestreden besluit dienen te beoordelen en kon zij aan de beoordeling van de subsidiaire grond eerst toekomen, indien het beroep tegen de primaire grond gegrond was verklaard. Nu de rechtbank zich met de niet-ontvankelijk verklaring van het bezwaar kon verenigen, kon zij niet meer toekomen aan de beoordeling van de subsidiaire grond en was er derhalve ook geen reden voor een veroordeling in de proceskosten en vergoeding van het griffierecht. De rechtbank had zich hooguit in een overweging ten overvloede mogen uitspreken over de subsidiaire grond van het bestreden besluit. Namens belanghebbende heeft mr. Van der Horst, voornoemd, in het verweerschrift aangevoerd dat de rechtbank op grond van de haar ingevolge artikel 8:75 van de Awb verleende discretionaire bevoegdheid bij de aangevallen uitspraak een proceskostenveroordeling heeft kunnen uitspreken en dat daarvoor niet vereist is dat de veroordeelde partij in het ongelijk is gesteld. Het hoger beroep van belanghebbende bestrijdt de aangevallen uitspraak voorzover daarbij is geoordeeld dat belanghebbende, gelet op de getroffen betalingsregeling, geen belang meer had bij een inhoudelijke beoordeling van het besluit van 29 mei
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.