E N K E L V O U D I G E K A M E R 03/2611 AOW U I T S P R A A K in het geding tussen: [appellante], wonende te [woonplaats] (Brazilië), appellante, en de Raad van bestuur van de Sociale verzekeringsbank, gedaagde. I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING Met ingang van 1 januari 2003 zijn de artikelen 3, 4 en 5 van de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen, voorzover het betreft de Sociale verzekeringsbank in werking getreden. Thans oefent gedaagde de taken en bevoegdheden uit die tot genoemde datum werden uitgeoefend door de Sociale Verzekeringsbank. In deze uitspraak wordt onder gedaagde tevens verstaan de Sociale Verzekeringsbank. Namens appellante heeft mr. C.W.M. Ostendorf, belastingadviseur te Den Haag, op daartoe nader aangevoerde gronden hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 17 april 2003, nr. AWB 00/2704 AOW, waarnaar hierbij wordt verwezen. Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend. Het geding is behandeld ter zitting van de Raad, gehouden op 30 juni 2005, waar appellante niet is verschenen en gedaagde zich heeft doen vertegenwoordigen door mr. B.T.S.J. Maarschalkerweerd, werkzaam bij de Sociale verzekeringsbank. II. MOTIVERING Appellante, van Braziliaanse nationaliteit, heeft op 19 januari 1995 verzocht om vrijstelling van de verzekeringsplicht ingevolge de volksverzekeringen. Bij besluit van 23 maart 1995 is aan appellante met ingang van de datum van het verzoek vrijstelling verleend. Tegen dit besluit is namens appellante bezwaar ingesteld, dat door gedaagde bij besluit van 21 juni 1995, voorzover hier van belang, ongegrond is verklaard. Tegen het laatstgenoemde besluit zijn geen rechtsmiddelen aangewend waardoor het rechtens onaantastbaar is geworden. De ingangsdatum van de verleende vrijstelling steunde op het bepaalde in artikel 24, derde lid, van het Besluit uitbreiding en beperking kring verzekerden volksverzekeringen 1989, Sb. 164 (hierna: KB 164), waarin ten tijde hier van belang was bepaald dat de vrijstelling niet eerder kan ingaan dan de datum van het verzoek daartoe. Vervolgens is vastgesteld het Besluit van 2 september 1998 tot wijziging van KB 164 in verband met het creëren van de mogelijkheid om terugwerkende kracht te verlenen aan een vrijstelling op grond van artikel 24, Stb. 597 (hierna KB 597). Ingevolge artikel II van dit besluit kan gedaagde, indien de toepassing van artikel 24, derde lid, van KB 164, zoals dat luidde op de dag voor de inwerkingtreding van KB 597, heeft geleid tot onbillijkheden van overwegende aard, op verzoek van de ingezetene aan wie tussen 4 november 1994 en de dag waarop KB 597 in werking is getreden, vrijstelling is verleend, besluiten dat die vrijstelling terugwerkt tot ten hoogste drie jaar voorafgaande aan de datum van het verzoek. Hiermee werd vooruitgelopen op de intrekking van KB 164 met ingang van 1 januari 1999 en de inwerkingtreding per dezelfde datum van het Besluit uitbreiding en beperking kring verzekerden volksverzekeringen 1999, Stb. 1998, 746 (hierna: KB 746). Ingevolge artikel 22 van het laatstgenoemde besluit, gaat de vrijstelling in op de datum van de aanvraag, maar kan gedaagde de vrijstelling verlenen met ingang van ten hoogste drie jaar vóór de datum van de aanvraag, indien toepassing van het tweede lid leidt tot onbillijkheden van overwegende aard. Naar aanleiding daarvan is namens appellante op 23 augustus 1999 verzocht de aan haar verleende vrijstelling alsnog op 19 januari 1992 te doen ingaan. Bij besluit van 2 december 1999 heeft gedaagde dit verzoek afgewezen. Volgens gedaagde is er geen sprake van onbillijkheden van overwegende aard, indien iemand heeft nagelaten tijdig een vrijstellingsverzoek in te dienen als gevolg van onbekendheid met de regelgeving, hoe begrijpelijk die onbekendheid met de regelgeving overigens ook is. Gedaagde voert dan ook als beleid, dat geen terugwerkende kracht wordt verleend aan een vrijstelling indien uitsluitend sprake is van onbekendheid met de regelgeving. Namens appellante is tegen de afwijzing bezwaar gemaakt, welk bezwaar gedaagde bij besluit van 15 maart 2000 (hierna: het bestreden besluit) ongegrond heeft verklaard onder overweging dat geen sprake is van onbillijkheden van overwegende aard. Gedaagde heeft voorts opgemerkt dat redelijkerwijs niet kan worden gesteld dat appellante een actieve houding heeft aangenomen, nu er een periode van bijna drie jaren ligt tussen de inzending in januari 1992 van een vragenformulier van de Belastingdienst en het inwinnen van informatie over haar verzekeringspositie in december
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.