03/4546 ZW U I T S P R A A K in het geding tussen: [appellant], wonende te [woonplaats], appellant, en de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, gedaagde. I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING Namens appellant is door mr. C.J. Driessen, advocaat te Beers, op in het beroepschrift (met bijlagen) vermelde gronden hoger beroep ingesteld tegen een door de rechtbank ’s-Hertogenbosch op 28 juli 2003 tussen partijen gegeven uitspraak (reg. nr. AWB 02/432 ZW), waarnaar hierbij wordt verwezen. Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend. Desgevraagd heeft gedaagde bij brief (met bijlagen) van 21 april 2005 nadere stukken toegezonden. Bij brief (met bijlagen) van 3 juni 2005 heeft de gemachtigde van appellant nadere stukken toegezonden. Het geding is behandeld ter zitting van de Raad op 15 juni 2005, waar appellant in persoon is verschenen, bijgestaan door mr. Driessen, voornoemd, en waar gedaagde zich heeft laten vertegenwoordigen door mr. I.P.H.M. van Lieshout, werkzaam bij het Uwv. II. MOTIVERING Appellant was laatstelijk werkzaam bij [naam werkgever] (hierna: [naam werkgever]) in de functie van schoenmaker voor 40 uur per week op basis van een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd. Daarnaast was hij sinds 23 februari 2001 voor 4 uur per week in dienst bij [werkgever 2] (hierna: [werkgever 2]) als schoonmaker. Op 25 april 2001 meldde hij zich ziek bij [naam werkgever]. Bij brief van 1 mei 2001 verzocht [naam werkgever] appellant de arbeidsovereenkomst met [werkgever 2] met onmiddellijke ingang te beëindigen. Als reden hiervoor was vermeld dat appellant aan [naam werkgever] geen toestemming had gevraagd om nevenwerkzaamheden te mogen verrichten. Voorts was hierbij vermeld dat, indien appellant aan dit verzoek niet vóór 4 mei 2001 om 13:00 uur zou voldoen, een ontslag op staande voet zou volgen. Bij brief van 10 mei 2001 heeft [naam werkgever] appellant meegedeeld dat hij met ingang van 4 mei 2001 op staande voet is ontslagen, omdat hij aan voormeld verzoek geen gevolg heeft gegeven. Bij primair besluit van 17 januari 2002 is appellant bij wijze van maatregel met ingang van 4 mei 2001 blijvend geheel een uitkering ingevolge de Ziektewet (hierna: ZW) geweigerd. Hiertoe is - samengevat - het volgende overwogen. Appellant is nevenwerkzaamheden gaan verrichten zonder toestemming van zijn [naam werkgever], waardoor hij niet heeft voldaan aan de wettelijke verplichting om zich zodanig te gedragen dat hij door zijn doen en laten het Algemeen Werkloosheidsfonds of het Uwv niet benadeelt of zou kunnen benadelen. Hieruit volgt dat een maatregel moet worden opgelegd die in de vijfde categorie van de bijlage bij het Maatregelenbesluit valt. De daarbij behorende maatregel houdt in dat de ziekengelduitkering blijvend geheel wordt geweigerd. Voorts is geen sprake van een verminderde verwijtbaarheid of het geheel ontbreken van verwijtbaarheid noch van een dringende reden om van oplegging van de maatregel af te zien. Bij bestreden besluit van 18 februari 2002 is het tegen het besluit van 17 januari 2002 door appellant gemaakte bezwaar ongegrond verklaard. De rechtbank heeft het beroep van appellant tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. In hoger beroep is door appellant naar voren gebracht dat geen sprake is van een benadelingshandeling en dat, voor het geval daarvan wel sprake zou zijn, geen sprake is van verwijtbaarheid, omdat door hem is gehandeld overeenkomstig een onjuist rechtskundig advies van de FNV. Hierbij is aangegeven dat appellant de FNV voor de financiële gevolgen van dit onjuiste advies in een civiele procedure aansprakelijk heeft gesteld. In hoger beroep heeft appellant nog stukken toegezonden, onder meer met betrekking tot een tussen appellant en de FNV in het kader van voormelde procedure getroffen schikking, waarbij de FNV een bedrag van € 8.000,-- aan appellant heeft betaald. Ter zitting is van de zijde van appellant betoogd dat, voor het geval de verwijtbaarheid niet geheel ontbreekt, sprake is van een verminderde verwijtbaarheid. Voorts is ter zitting van de zijde van appellant nog een beroep gedaan op een dringende reden. De Raad overweegt als volgt. Artikel 45, eerste lid, aanhef en onder j, van de ZW, zoals deze bepaling luidde ten tijde in geding, bepaalt dat gedaagde het ziekengeld geheel of gedeeltelijk, tijdelijk of blijvend weigert, indien de verzekerde door zijn doen of nalaten het Algemeen Werkloosheids-fonds of het wachtgeldfonds benadeelt of zou kunnen benadelen. Het tweede lid van artikel 45 van de ZW bepaalt dat een maatregel als bedoeld in het eerste lid wordt afgestemd op de ernst van de gedraging en de mate waarin de verzekerde de gedraging verweten kan worden. Van het opleggen van een maatregel wordt in elk geval afgezien, indien elke vorm van verwijtbaarheid ontbreekt. Artikel 45, vierde lid, van de ZW, bepaalt dat indien daarvoor dringende redenen zijn, gedaagde kan besluiten van het opleggen van een maatregel af te zien. In het krachtens artikel 45, zesde lid, van de ZW vastgestelde Maatregelenbesluit Tica, zoals dat besluit luidde ten tijde in geding, is in artikel 7, eerste lid, aanhef en onder d, in samenhang met de bijlage bij het Maatregelenbesluit Tica, bepaald dat de hoogte en duur van de maatregel bij een benadelingshandeling als hiervoor aangegeven, afhankelijk van de ernst van de gedraging of nalatigheid van de verzekerde, bedragen:
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.