03/921 NABW U I T S P R A A K in het geding tussen: [appellante], wonende te [woonplaats], appellante, en het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Eindhoven, gedaagde. I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING Namens appellante heeft mr. P.J.A. van de Laar, advocaat te Eindhoven, hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank ’s-Hertogenbosch van 21 januari 2003, reg.nr. 02/1077 NABW. Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend. Het geding is behandeld ter zitting van 7 juni 2005, waar voor appellante is verschenen [gemachtigde], en waar gedaagde zich heeft laten vertegenwoordigen door mr. J.L.J. Martens en D.J. van Galen, beiden werkzaam bij de gemeente Eindhoven. II. MOTIVERING De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden. Appellante en haar partner [naam partner] ontvingen vanaf 25 november 1997 een uitkering ingevolge de Algemene bijstandswet (Abw) naar de norm voor gehuwden. Op 5 december 2001 heeft de regiopolitie Brabant Zuid-Oost in drie ruimtes in een schuur, behorende bij de woning van appellante aan de [adres] te [woonplaats], een in werking zijnde hennepkwekerij aangetroffen, bestaande uit in totaal 147 hennepplanten in diverse groeistadia, 11 assimilatielampen van 400 en 600 Watt, 11 transformatoren, 2 gesloten irrigatiesystemen, 2 beluchtingspijpen, 2 koolstofmeters, 1 koolstoffilter, 1 kastventilator, 2 hygrometers, 3 tijdklokken, 2 temperatuurmeters, diverse jerrycans en flacons vloeibare kunstmest. [parner] heeft tegenover de politie verklaard dat de hennepkwekerij van hem was en dat hij deze drie maanden geleden samen met een vriend had opgebouwd. Vervolgens heeft de Unit Bijzonder Onderzoek van de Dienst Werk, Zorg en Inkomen van de gemeente Eindhoven een nader onderzoek ingesteld naar de rechtmatigheid van de aan appellante en [parner] toegekende uitkering. Daarbij is onder meer gebruik gemaakt van de bevindingen van de politie, is informatie ingewonnen bij het Nutsbedrijf Regio Eindhoven en is [parner] gehoord. Op grond van de resultaten van het onderzoek heeft gedaagde bij besluit van 8 februari 2002 het recht op bijstand van appellante en [parner] over de periode van 1 september 2001 tot en met 31 december 2001 ingetrokken op de grond dat zij niet hebben voldaan aan de ingevolge artikel 65, eerste lid, van de Abw op hen rustende inlichtingenverplichting door geen mededeling te doen van het telen van hennep, als gevolg waarvan het recht op bijstand over deze periode niet kan worden vastgesteld. Tevens heeft gedaagde het recht op bijstand met ingang van 1 januari 2002 beëindigd. Aan de beëindiging heeft gedaagde ten grondslag gelegd dat het vermogen van appellante en [parner] met de teelt van hennep kennelijk meer is gaan bedragen dan het voor de bijstandsverlening vrij te laten vermogen. Bij besluit van 2 april 2002 heeft gedaagde het bezwaar tegen het besluit van 8 februari 2002 ongegrond verklaard. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het besluit van 2 april 2002 ongegrond verklaard. Appellante heeft zich in hoger beroep gemotiveerd tegen deze uitspraak gekeerd. De Raad komt tot de volgende beoordeling. Intrekking over de periode van 1 september 2001 tot en met 5 december 2001 Vaststaat dat de politie op 5 december 2001 in de schuur bij de woning van appellante en [parner] een in werking zijnde hennepkwekerij heeft aangetroffen. Gelet op de omvang van deze kwekerij en de aangetroffen apparatuur is de Raad van oordeel dat er sprake is geweest van een professionele kwekerij. Niet in geschil is dat appellante en [parner] het exploiteren van deze kwekerij, hetgeen onmiskenbaar van belang is voor de vaststelling van het recht op bijstand, niet bij gedaagde hebben gemeld en aldus de ingevolge artikel 65, eerste lid, van de Abw op hen rustende inlichtingenverplichting hebben geschonden. Naar aanleiding van het argument van appellante dat zij niet op de hoogte was van de (mogelijke) activiteiten van haar partner overweegt de Raad dat dit in beginsel niet relevant is, daar de bijstand als gezinsbijstand is toegekend en dat schending van de inlichtingenverplichting door [parner] mede aan appellante dient te worden toegerekend. Appellante is voorts van opvatting dat er geen grond bestaat voor het standpunt van gedaagde dat de kwekerij reeds op 1 september 2001 in bedrijf was. De Raad overweegt hierover dat bij appellante en [parner] een professionele hennepkwekerij is aangetroffen en dat [parner] geen concrete verifieerbare gegevens heeft willen verstrekken over de aanvang van de exploitatie, de herkomst van de productiemiddelen en de afzet van de oogst. Evenmin heeft hij een administratie bijgehouden. Aldus heeft hij met betrekking tot het kunnen vaststellen van de start van de kwekerij een bewijsrisico genomen waarvan de gevolgen voor rekening en risico van appellante en [parner] dienen te blijven. Gedaagde is geenszins buiten de grenzen van de zorgvuldigheid getreden door uit te gaan van de datum 1 september
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.