E N K E L V O U D I G E K A M E R 04/5749 NABW 04/5750 NABW U I T S P R A A K in het geding tussen: [appellant], appellant, en [appellante], appellante, beiden wonende te [woonplaats], en het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Hilvarenbeek, gedaagde. I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING Appellanten hebben hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank Breda van 24 september 2004, reg.nr. 03/2546 NABW. Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend. Appellanten hebben nadere stukken ingezonden. Het geding is behandeld ter zitting van 28 juni 2005, waar appellant in persoon en appellante niet is verschenen, en waar gedaagde zich heeft laten vertegenwoordigen door mr. M.J.M. Morel en R. de Vries, beiden werkzaam bij de gemeente Hilvarenbeek. II. MOTIVERING Aan de aangevallen uitspraak - waarin appellant als eiser is aangeduid en gedaagde als verweerder - ontleent de Raad de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden: " Bij besluit van 28 mei 2003 (primair besluit) heeft verweerder eiser medegedeeld dat zijn uitkering op grond van de Algemene bijstandswet (Abw) met ingang van 1 juni 2003 gedurende een maand verlaagd wordt met 100%, vanwege het niet aanvaarden van een baan bij garagebedrijf van Empel te Tilburg. Bij brief van 21 juli 2003 heeft eiser bezwaar aangetekend tegen deze beslissing. Verweerder heeft eiser bij brief van 1 augustus 2003 in de gelegenheid gesteld nader toe te lichten waarom hij buiten de daarvoor geldende termijn het bezwaar-schrift heeft ingediend. Eiser heeft daarop bij brieven van 5 augustus 2003 en 31 augustus 2003 een toelichting gegeven. Eiser geeft aan dat hij een bezoek heeft gebracht aan het gemeentehuis om mondeling bezwaar te maken. Eiser was er niet van op de hoogte dat hij alsnog bezwaar moest maken. Iemand heeft hem later daarop attent gemaakt, waarna hij alsnog bezwaar heeft gemaakt. Op 8 september 2003 heeft eiser een mondelinge toelichting gegeven tijdens de hoorzitting van de bezwarencommissie. De bezwarencommissie heeft het college van burgemeester en wethouders op 29 september 2003 geadviseerd het bezwaarschrift niet-ontvankelijk te verklaren. De commissie heeft daarbij nog in overweging gegeven de opgelegde maatregel ambtshalve in te trekken, gelet op het feit dat eiser was vrijgesteld van de verplichting van het aanvaarden van passende arbeid.". Het door appellant tegen het besluit van 28 mei 2003 gemaakte bezwaar heeft gedaagde bij besluit van 12 november 2003 niet-ontvankelijk verklaard. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellant tegen het besluit van 12 november 2003 ongegrond verklaard. Zowel appellant als appellante hebben zich in hoger beroep gemotiveerd tegen deze uitspraak gekeerd. De Raad komt tot de volgende beoordeling. Met betrekking tot het hoger beroep van appellante Ingevolge artikel 6:13 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) kan geen beroep worden ingesteld tegen een op bezwaar of in administratief beroep genomen besluit door een belanghebbende aan wie redelijkerwijs kan worden verweten geen bezwaar te hebben gemaakt of administratief beroep te hebben ingesteld tegen het oorspronkelijke besluit. Op grond van artikel 6:24, eerste lid, van de Awb is dit artikel van overeenkomstige toepassing indien hoger beroep wordt ingesteld. Vast staat dat appellante geen bezwaar heeft gemaakt tegen het mede aan haar gerichte besluit van 28 mei
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.