03/5333 WAO en 04/260 WAO U I T S P R A A K in de gedingen tussen: [appellant], wonende te [woonplaats], appellant, en de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, gedaagde. I. ONTSTAAN EN LOOP VAN DE GEDINGEN Met ingang van 1 januari 2002 is de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen in werking getreden. Ingevolge de Invoeringswet Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen treedt in deze gedingen de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) in de plaats van het Landelijk instituut sociale verzekeringen (Lisv). In deze uitspraak wordt onder gedaagde tevens verstaan het Lisv. Bij besluit van 20 december 2001 heeft gedaagde de aanvraag van appellant om hem met ingang van 20 december 2001 een uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) te verlenen afgewezen, op de grond dat de mate van zijn arbeidsongeschiktheid per die datum minder dan 15% bedraagt. Het tegen dit besluit gemaakte bezwaar heeft gedaagde bij besluit van 17 oktober 2002 (besluit 1) ongegrond verklaard. De rechtbank Middelburg heeft bij uitspraak van 23 september 2003, nr. Awb 02/602, het tegen besluit 1 ingestelde beroep deels gegrond en deels ongegrond verklaard en dit besluit vernietigd. Namens appellant heeft mr. R.W. van Voorst Vader, advocaat te Terneuzen, op bij aanvullend beroepschrift van 6 december 2003 aangevoerde gronden tegen deze uitspraak hoger beroep ingesteld. Gedaagde heeft bij schrijven van 6 januari 2004 (met bijlagen) van verweer gediend en een in navolging van de aangevallen uitspraak genomen nieuw besluit op bezwaar van 10 november 2003 (besluit 2) ingezonden. Gedaagde heeft daarbij verzocht om toepassing van de artikelen 6: 18 en 6:19 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). De gedingen zijn behandeld ter zitting van de Raad, gehouden op 24 juni 2005, waar appellant in persoon is verschenen, bijgestaan door zijn echtgenote en mr. Van Voorst Vader, voornoemd. Gedaagde heeft zich, met voorafgaand bericht, niet doen vertegenwoordigen. II. MOTIVERING De Raad overweegt allereerst dat het (hoger) beroep van appellant ingevolge de artikelen 6:19, eerste lid, en 6:24 van de Awb geacht moet worden mede te zijn gericht tegen besluit 2, nu daarbij niet (geheel) aan het hoger beroep is tegemoet gekomen. Gezien besluit 2 heeft appellant geen belang meer bij vernietiging van de aangevallen uitspaak nu de door hem in hoger beroep ingebrachte grieven alle aan de orde kunnen en zullen komen bij de beoordeling van besluit 2 en hij niet om schadevergoeding krachtens artikel 8:73 van de Awb heeft gevraagd. Het hoger beroep tegen de aangevallen uitspraak komt derhalve voor niet-ontvankelijkverklaring in aanmerking. Ten aanzien van het beroep gericht tegen besluit 2 overweegt de Raad dat tussen partijen zowel de medische als de arbeidskundige grondslag van dit besluit in geschil is. Met betrekking tot de medische grondslag overweegt de Raad het volgende. Appellant, die op 21 december 2000 ten gevolge van rugklachten is uitgevallen voor zijn werk als productiemedewerker in een visverwerkingsbedrijf, is ten behoeve van de beoordeling van zijn arbeidsongeschiktheid per einde wachttijd, op 1 november 2001 onderzocht door de verzekeringsarts A.H. Vogelsang. De door haar aangenomen medische beperkingen zijn neergelegd in de bij haar rapport van die datum gevoegde “bijlage belastbaarheidsprofiel”. Hierin is de psychische belastbaarheid van appellant niet beperkt geacht. In bezwaar heeft appellant onder andere doen aanvoeren dat niet alleen zijn fysieke belastbaarheid verkeerd is ingeschat, maar dat ook ten onrechte geen rekening is gehouden met het gegeven dat hij aan een depressie lijdt, ten gevolge waarvan zijn psychische belastbaarheid ook beperkt is. De bezwaarverzekeringsarts S. van Dam-Horowitz heeft appellant op het spreekuur van 23 september 2002 in aanwezigheid van zijn echtgenote en een tolk onderzocht. Ten aanzien van de psychische indruk noteerde zij dat appellant geheel in de ban van zijn pijnklachten lijkt en dat gericht antwoord geven op vragen weinig voorkomt. Voorts was zij van mening dat appellant een depressieve indruk maakte en nergens plezier in heeft, slecht slaapt, geen enkele initiatief neemt en een ontoegankelijke, sombere indruk maakt. Haar conclusie luidde dat er psychische factoren zijn die de klachten in stand houden, maar dat geen sprake was van een psychiatrische ziektebeeld, wat beperkingen ten aanzien van werk met zich meebrengt en dat er derhalve geen medische argumenten zijn om af te wijken van het oordeel van de verzekeringsarts Vogelsang. De rechtbank heeft in de in beroep van de zijde van appellant overgelegde nadere medische gegevens aanleiding gevonden zich van verslag en advies te laten dienen door de psychiater B.J. van Eijk. Deze deskundige concludeerde in zijn rapport van 21 mei 2003 dat de gezondheidstoestand van appellant met ingang van 20 december 2001 zodanig was, dat de in het belastbaarheidspatroon d.d. 1 november 2001 vermelde beperkingen voor hem van toepassing konden worden geacht en dat appellant met inachtneming van die beperkingen de hem voorgehouden functies kon verrichten. De rechtbank heeft geen aanleiding gezien de conclusie van de deskundige in twijfel te trekken. Volgens de rechtbank is van de zijde van appellant weliswaar betoogd dat taalproblemen er toe hebben geleid dat met name de eerdere medische stukken, die de deskundige mede aan zijn conclusie ten grondslag heeft gelegd, een te optimistisch beeld van appellant vertonen, doch de rechtbank stelt vast dat uit die stukken vergelijkbare observaties blijken als door de deskundige gedaan. In zoverre moet appellants beroep ongegrond worden verklaard, aldus de rechtbank. Appellant heeft in hoger beroep herhaald dat zijn psychische problematiek ten tijde van de beoordeling per einde wachttijd onvoldoende is onderkend. Daarbij speelt volgens appellant een grote rol dat de verzekeringsarts onvoldoende met hem van gedachten heeft kunnen wisselen als gevolg van het ontbreken van een tolk. Voorts verzet appellant zich tegen de redenering van de deskundige dat nu bij de onderzoeken niet is vermeld dat daarbij een tolk aanwezig was, de deskundige ervan uitgaat dat de artsen voldoende mogelijkheden hadden om tot een afgewogen oordeel te komen. De Raad overweegt dat naar vaste jurisprudentie in beginsel het oordeel van de door de rechter ingeschakelde deskundige dient te worden gevolgd, tenzij aanleiding bestaat tot het maken van een uitzondering op deze regel. De Raad is van oordeel dat in het onderhavige geval aanleiding bestaat tot het maken van een dergelijke uitzondering. Hierbij heeft de Raad het volgende in aanmerking genomen. De deskundige was op basis van eigen onderzoek, informatie uit de behandelend sector en bestudering van de stukken van oordeel dat ten tijde van zijn onderzoek sprake was van een volledig regressief/depressief beeld met hallucinatoire kleuring. Voor wat betreft de datum in geding heeft de deskundige geconcludeerd dat hij geen aanknopingspunt heeft gevonden om aan te nemen dat toen een zodanig psychiatrisch beeld bestond, dat arbeidsongeschiktheid veroorzaakt. Bij dit oordeel heeft de deskundige zich gebaseerd op de meegezonden stukken, waarvan door hem in zijn rapport een samenvatting is gegeven. Daarbij heeft hij aangegeven dat in de diverse stukken die zijn meegestuurd nergens staat vermeld of er ten tijde van de onderzoeken een tolk aanwezig was en dat hij er dus van moet uitgaan dat de artsen voldoende de mogelijkheid hadden om tot het beeld te komen wat steeds beschreven is. Tot de meegezonden stukken behoren de rapportage van de verzekeringsarts Vogelsang d.d. 1 november 2001 en de rapportage van de bezwaarverzekeringsarts Van Dam-Horowitz d.d. 23 september
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.