03/4309 WAO U I T S P R A A K in het geding tussen: [appellant], wonende te [woonplaats], appellant, en de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, gedaagde. I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING Met ingang van 1 januari 2002 is de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen in werking getreden. Ingevolge de Invoeringswet Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen treedt in dit geding de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) in de plaats van het Landelijk instituut sociale verzekeringen (Lisv). In deze uitspraak wordt onder gedaagde tevens verstaan het Lisv. Bij besluit van 5 september 2001 heeft gedaagde de uitkering van appellant ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO), welke laatstelijk werd berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 55% tot 65%, met ingang van 1 november 2001 ingetrokken, onder overweging dat de mate van arbeidsongeschiktheid van appellant met ingang van laatstgenoemde datum minder dan 15% was. Gedaagde heeft het tegen dit besluit door mr. M.H. Samama, advocaat te ’s-Gravenhage, namens appellant gemaakte bezwaar bij besluit van 5 augustus 2002 ongegrond verklaard. De rechtbank ’s-Gravenhage heeft het namens appellant ingestelde beroep tegen het besluit van 5 augustus 2002 (hierna: het bestreden besluit) bij uitspraak van 31 juli 2003, reg.nr. AWB 02/3279 WAO, ongegrond verklaard. De gemachtigde van appellant heeft op bij aanvullend beroepschrift aangegeven gronden tegen deze uitspraak hoger beroep ingesteld. Gedaagde heeft van verweer gediend. Het geding is behandeld ter zitting van de Raad op 21 juni 2005, waar voor appellant zijn gemachtigde is verschenen en waar namens gedaagde is verschenen mr. R.A.C. Rijk, werkzaam bij het Uwv. II. MOTIVERING Appellant was werkzaam als medewerker glastuinbouw toen hij op 26 mei 1999 uitviel met knieklachten. Nadien kreeg hij ook rug- en psychische klachten. Gedaagde heeft appellant bij besluit van 25 mei 2001, na het doorlopen van de wettelijke wachttijd, met ingang van 25 mei 2000 een WAO-uitkering toegekend, welke werd berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 55 tot 65%. Hieraan lag onder andere ten grondslag het rapport van de verzekeringsarts E. Sint Nicolaas van 9 januari 2001, die een beperking ten aanzien van kniebelastende werkzaamheden wenselijk achtte en het voorts, ofschoon de klachten over hoofdpijn en druk uit de omgeving niet gestoeld waren op psychopathologie, zinvol achtte appellant niet aan een grote werkdruk bloot te stellen en conflicten te vermijden. Een en ander legde Sint Nicolaas vast in het handgeschreven FIS-formulier van eveneens 9 januari 2001 met onder meer een beperking op de onderdelen 28A (werken onder tijdsdruk) en 28E (conflicthantering). In het kader van de zogenoemde eerstejaars herbeoordeling is appellant op 12 juli 2001 onderzocht door de verzekeringsarts R.G.J. van der Boom. Deze arts kwam in zijn rapport van eveneens 12 juli 2001 tot de slotsom dat bij appellant sprake is van decente lichamelijke en psychische afwijkingen en vulde een nieuw FIS-formulier in met minder zware beperkingen. Volgens Van der Boom zijn er beperkingen ten aanzien van onder andere langdurig staand werk en lopen, knielen, kruipen, hurken, zwaar tillen en dragen, alsmede lichte beperkingen ten aanzien van extreme werk-/tijdsdruk en matige beperkingen inzake conflicthantering. Een en ander legde Van der Boom vast in een deels gewijzigd FIS-formulier, waarbij hij bij de onderdelen 28A en 28E de toelichting plaatste “geen extreme eisen”en “matig beperkt”. Na vervolgens een arbeidskundige beoordeling, waarbij in het kader van functieduiding werd vastgesteld dat van een verlies aan verdienvermogen geen sprake was, nam appellant het primaire besluit van 5 september
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.