04/3500 ALGEM U I T S P R A A K in het geding tussen: [appellante], gevestigd te [woonplaats], appellante, en de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, gedaagde. I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING Namens appellante is op bij aanvullend beroepschrift van 9 augustus 2004 aangevoerde gronden hoger beroep ingesteld tegen de tussen partijen op 7 juni 2004 met kenmerk 02/2730 door de rechtbank ‘s-Hertogenbosch gewezen uitspraak. Gedaagde heeft een verweerschrift, gedateerd 21 september 2004, en een aanvullend verweerschrift, gedateerd 23 september 2004, ingediend. Bij brief van 20 oktober 2004 is namens appellante een reactie op het aanvullend verweerschrift ingediend. Bij brief van 15 november 2004 heeft gedaagde hierop gereageerd. Bij brief van 10 mei 2005 heeft appellante de gronden van het hoger beroep nader toegelicht. Het geding is behandeld ter zitting van de Raad, gehouden op 27 mei 2005, waar appellante zich heeft doen vertegenwoordigen door haar directeur [naam directeur]. Gedaagde is, met voorafgaand schriftelijk bericht, niet verschenen. II. MOTIVERING Appellante heeft als doelstelling onder meer de bemiddeling van vijftigplussers naar de arbeidsmarkt. Gedaagde heeft een onderzoek doen instellen naar de verzekeringsplicht in het kader van de door appellante via de zogenoemde Reva Methode© toegepaste bemiddeling. Volgens het onderzoeksrapport van 7 maart 2001 werkt deze methode als volgt. Appellante benadert bedrijven die personeel zoeken en biedt aan voor de openstaande vacatures geschikte vijftigplussers te vinden die de werkzaamheden op declaratiebasis zullen verrichten. Bij dit contact komen de werktijden en de verdiensten van de vijftigplusser en de bemiddelingskosten van appellante aan de orde. Vervolgens werft appellante vijftigplussers, schrijft hen in en brengt het contact tussen de bedrijven en de vijftigplussers tot stand op basis van een ‘bemiddelingsovereenkomst’ tussen appellante en de vijftigplusser en tussen appellante en het bedrijf. De vijftigplusser en het bedrijf sluiten een ‘overeenkomst voor aanneming van werk’ waarin de vijftigplusser verklaart de werkzaamheden voor eigen rekening en risico te willen verrichten, en maken afspraken over onder meer de vergoeding. Maandelijks dient de vijftigplusser bij appellante een door het bedrijf ondertekend urendeclaratieformulier in, die het gedeclareerde bedrag verhoogd met 35% bemiddelingstoeslag (en de daarover verschuldigde omzetbelasting) bij het bedrijf in rekening brengt en incasseert. Het door de vijftigplusser gedeclareerde bedrag wordt vervolgens onder aftrek van 2,5% ‘calamiteitenbijdrage’ ter dekking van het risico van wanbetaling door appellante aan de vijftigplusser overgemaakt. Deze verplicht zich van deze verdiensten zelf aangifte te doen bij de belastingdienst. Gedaagde heeft met zijn besluit van 28 augustus 2002 (hierna: het bestreden besluit) zijn primaire besluit gehandhaafd, inhoudende dat tien vijftigplussers die door tussenkomst van appellante op en na 10 januari 2000 werkzaam zijn geweest voor [naam bedrijven] (hierna: de bedrijven) die werkzaamheden hebben verricht in een verzekeringsplichtige arbeidsverhouding tussen appellante en de vijftigplussers. Deze verzekeringsplicht is primair gebaseerd op artikel 3 van de sociale werknemersverzekeringswetten, waarbij is voldaan aan de voorwaarden voor een privaatrechtelijke dienstbetrekking, de uitzendovereenkomst als bedoeld in artikel 7:690 van het Burgerlijk Wetboek (BW) daaronder begrepen, en subsidiair op artikel 5, aanhef en onder d, van deze wetten in samenhang met artikel 3 van het Koninklijk Besluit van 24 december 1986, Stb. 1986,
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.