03/5858 NABW U I T S P R A A K in het geding tussen: [appellante], wonende te [woonplaats], appellante, en het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Amsterdam, gedaagde. I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING Namens appellante heeft mr. M.M.A. van Hoof, advocaat te Amsterdam, hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 13 november 2003, reg.nr. 02/3836 NABW. Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend. Het geding is behandeld ter zitting van 28 juni 2005, waar appellante in persoon is verschenen, bijgestaan door mr. Van Hoof en M. van Buren, belastingadviseur, en waar gedaagde zich heeft laten vertegenwoordigen door F.H.W. Fris, werkzaam bij de gemeente Amsterdam. II. MOTIVERING De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden. Appellante ontving vanaf 1 januari 1985 een bijstandsuitkering, laatstelijk ingevolge de Algemene bijstandswet (Abw) naar de norm voor een alleenstaande ouder met een toeslag van 20%. Bij besluit van 17 september 1997 is appellante onder voorwaarden toestemming gegeven op bescheiden schaal beroepsmatige werkzaamheden te verrichten. Op grond van de in het kader van een beëindigingsonderzoek door de Belastingdienst in juli 2001 verstrekte gegevens is gedaagde gebleken dat appellante inkomsten uit arbeid had ontvangen zonder dat zij daarvan mededeling heeft gedaan aan gedaagde, alsmede dat appellante gebruik heeft gemaakt van de zogeheten zelfstandigenaftrek. Gedaagde heeft daarin aanleiding gevonden bij besluit van 8 februari 2002 het recht op bijstand van appellante over de periode van 12 juni 1997 tot en met 26 september 2000 te herzien, en de gemaakte kosten van bijstand tot een bedrag van € 40.712,86 van haar terug te vorderen. Bij besluit van 30 juli 2002 heeft gedaagde het bezwaar tegen het besluit van 8 februari 2002 deels gegrond verklaard, voorzover het betreft de omvang van de herziening van het recht op uitkering over 1997 en de hoogte van het bedrag dat van appellante over dat jaar wordt teruggevorderd, en het bezwaar voor het overige ongegrond verklaard. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank - met een bepaling omtrent het griffierecht - het beroep tegen het besluit van 30 juli 2002 gegrond verklaard, dat besluit vernietigd wegens een onjuiste wettelijke grondslag over de periode van 12 juni 1997 tot 1 juli 1997 en bepaald dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand blijven. Appellante heeft zich in hoger beroep gemotiveerd tegen deze uitspraak gekeerd, voorzover daarbij de rechtsgevolgen in stand zijn gelaten. De Raad merkt in de eerste plaats op dat gedaagde bij het besluit van 30 juli 2002 geen eindbeslissing heeft gegeven, maar heeft volstaan met een gedeeltelijke gegrond-verklaring van het bezwaar. Gedaagde heeft niet aangegeven welk bedrag over de gehele in geding zijnde periode uiteindelijk van appellante wordt teruggevorderd. De hoogte van de over 1997 te veel ontvangen bijstand is weliswaar vermeld, € 524,57, maar de betaalde loon en premieheffing is niet gespecificeerd. Gedaagde heeft aldus miskend dat de bezwaarschriftprocedure is bedoeld als een volledige bestuurlijke heroverweging waarbij rekening dient te worden gehouden met alle relevante feiten en omstandigheden. Indien wijziging van een bij het primair besluit vastgesteld bedrag aan terug te vorderen kosten van bijstand nodig wordt geacht naar aanleiding van in bezwaar verkregen nadere gegevens, dient de omvang van het terug te vorderen bedrag in het kader van de heroverweging tijdens bezwaar te worden vastgesteld. De Raad wijst in dit verband mede naar zijn vaste rechtspraak, waarin is overwogen dat een terugvorderingbesluit (dat een executoriale titel oplevert) als een geheel moet worden beschouwd, nu dit uitmondt in een - daarin te vermelden - bedrag aan teruggevorderde uitkering. De door gedaagde toegepaste wijze van besluitvorming verdraagt zich niet met het bepaalde in artikel 7:11, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). De rechtbank heeft dit niet onderkend zodat de aangevallen uitspraak reeds daarom in zoverre voor vernietiging in aanmerking komt. Doende wat de rechtbank zou behoren te doen zal de Raad het beroep gegrond verklaren en het besluit van 30 juli 2002 wegens strijd met artikel 7:11 van de Awb vernietigen. Ten aanzien van de vervolgens aan de orde zijnde vraag of de rechtsgevolgen van het te vernietigen besluit van 30 juli 2002 voorzover het betrekking heeft op de herziening en de intrekking van het recht op bijstand met toepassing van artikel 8:72, derde lid, van de Awb in stand kunnen blijven overweegt de Raad het volgende. De herziening van het recht op bijstand over
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.