03/4021 ZW + 03/4022 WW U I T S P R A A K in de gedingen tussen: [appellant], wonende te [woonplaats], appellant, en de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, gedaagde. I. ONTSTAAN EN LOOP VAN DE GEDINGEN Met ingang van 1 januari 2002 is de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen in werking getreden. Ingevolge de Invoeringswet Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen treedt in deze gedingen de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) in de plaats van het Landelijk instituut sociale verzekeringen (Lisv). In deze uitspraak wordt onder gedaagde tevens verstaan het Lisv. Namens appellant heeft mr. A.E.E. Vollebregt, werkzaam bij De Unie te Bergen op Zoom, op bij aanvullende beroepschriften ingediende gronden hoger beroep ingesteld tegen twee door de rechtbank Breda op 27 juni 2003 tussen partijen gegeven uitspraken, reg.nrs. 02/1636 WW en 02/2300 ZW, waarnaar hierbij wordt verwezen. Gedaagde heeft in beide zaken een verweerschrift ingediend en desgevraagd bij brief (met bijlagen) van 31 maart 2005 antwoord gegeven op enkele vragen van de Raad. Het geding is behandeld ter zitting van de Raad op 25 mei 2005, waar appellant - met voorafgaand bericht - niet is verschenen en waar namens gedaagde is verschenen M.L. Turnhout, werkzaam bij het Uwv. II. MOTIVERING Gedaagde heeft appellant over de periode van 30 december 1996 tot en met 31 maart 1997 uitkering krachtens de Ziektewet (ZW) verstrekt en over de periode van 1 april 1997 tot en met 29 juni 1997 uitkering krachtens de Werkloosheidswet (WW). Uit een onderzoek binnen de administraties van diverse failliete transportbedrijven is blijkens een op 19 december 2000 door een fraudecontroleur van de Opsporingsdienst Regio West opgesteld rapport bekend geworden dat gegevens van appellant aanwezig zijn in de administratie van diverse transportbedrijven. In die rapportage is geconcludeerd dat appellant in de periode van 9 maart 1997 tot en met 29 juni 1997 werkzaamheden heeft verricht en/of inkomsten heeft genoten en dat het door appellant opgegeven aantal uren dat hij zou hebben gewerkt niet overeenstemt met het werkelijke aantal gewerkte uren. Gedaagde heeft vervolgens bij besluit van 16 februari 2001 de WW-uitkering per 31 maart 1997 herzien en bij besluit van 19 februari 2001 de ten onrechte ontvangen WW-uitkering over de periode van 31 maart 1997 tot en met 29 juni 1997 ad ƒ 12.290,64 (€ 5.577,25) teruggevorderd. Bij besluit van 23 juli 2002 heeft gedaagde de bezwaren van appellant tegen de besluiten van 16 en 19 februari 2001 gegrond verklaard, in die zin dat WW-uitkering over de periode van 31 maart 1997 tot en met 11 mei 1997 volledig wordt herzien en het over die periode onverschuldigd betaalde bedrag van ƒ 4.616,04 wordt teruggevorderd. Desgevraagd heeft gedaagde laten weten dat sprake is van een kennelijke misslag en dat voor 31 maart 1997, 1 april 1997 moet worden gelezen. Gedaagde heeft voorts bij besluit van 7 februari 2002 de ZW-uitkering met ingang van 9 maart 1997 verlaagd naar € 0,0 bruto, bij besluit van 11 februari 2002 de ten onrechte ontvangen ZW-uitkering over de periode van 9 maart 1997 tot en met 31 maart 1997 ad € 877,12 teruggevorderd en bij besluit van 21 februari 2002 een boete opgelegd van € 99,
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.