03/5785 NABW U I T S P R A A K in het geding tussen: [appellant], wonende te [woonplaats], appellant, en het College van burgemeester en wethouders van de gemeente ’s-Gravenhage, gedaagde. I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING Met ingang van 1 januari 2004 heeft gedaagde het besluit tot delegatie van zijn bevoegdheid tot het nemen van besluiten op bezwaar aan de Commissie Sociale Zekerheid ingetrokken. In deze uitspraak wordt onder gedaagde tevens verstaan de Commissie Sociale Zekerheid. Appellant heeft hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank ’s-Gravenhage van 10 oktober 2003, reg.nr. 02/4789 ABW. Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend. Het geding is behandeld ter zitting van 28 juni 2005, waar appellant in persoon is verschenen, en waar gedaagde - met voorafgaand bericht - zich niet heeft laten vertegenwoordigen. II. MOTIVERING De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden. Appellant ontving een uitkering op grond van de Algemene bijstandswet (Abw). Bij besluit van 25 mei 1999 heeft gedaagde het recht op bijstand van appellant over de periode van 9 februari 1998 tot en met 30 september 1998 herzien op de grond dat over deze periode sprake is geweest van hogere inkomsten uit arbeid dan waarmee bij de toekenning rekening was gehouden. Daarbij is een bedrag van ƒ 2.819,78 van appellant teruggevorderd. Bij besluit van 18 februari 2000 heeft gedaagde het bezwaar van appellant tegen het besluit van 25 mei 1999 ongegrond verklaard. Bij uitspraak van 20 maart 2002 heeft de rechtbank ’s-Gravenhage het beroep van appellant tegen het besluit van 18 februari 2000 gegrond verklaard en dit besluit vernietigd wegens strijd met artikel 7:12 van de Algemene wet bestuursrecht omdat niet duidelijk is hoe het bedrag van de terugvordering is berekend. Daarbij heeft de rechtbank onder meer overwogen dat gedaagde ten onrechte de inkomsten van appellant uit uitzendwerk forfaitair heeft verhoogd met 15 procent. De rechtbank heeft in dit verband geoordeeld dat de in de uitzendbranche gebruikelijke reservering van loon voor vrije dagen, waarop gedaagde de forfaitaire verhoging heeft gebaseerd, wel bij de herziening en terugvordering in aanmerking moet worden genomen, maar dat daarbij moet worden uitgegaan van de werkelijk door het uitzendbureau ten behoeve van appellant gereserveerde aanspraak. Bij besluit van 25 oktober 2002 heeft gedaagde aan de aangevallen uitspraak uitvoering gegeven. Daarbij is de periode waarover het recht op bijstand is herzien, gewijzigd in 23 februari 1998 tot en met 31 mei 1998 en 1 juli 1998 tot en met 30 september 1998 en is de forfaitaire verhoging van het netto-inkomen met 15 procent ongedaan gemaakt. Gedaagde heeft voorts het teruggevorderde bedrag verlaagd tot ƒ 2.374,
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.