E N K E L V O U D I G E K A M E R 03/5737 ZW U I T S P R A A K in het geding tussen: [appellant], wonende te [woonplaats], appellant, en de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, gedaagde. I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING Bij brief van 19 augustus 2002 is appellant vanwege gedaagde in kennis gesteld van een besluit, waarbij aan hem met ingang van deze datum geen ziekengeld meer is toegekend. Bij besluit van 5 december 2002 (hierna: het bestreden besluit) is het bezwaar van appellant tegen voormeld besluit ongegrond verklaard. De rechtbank Arnhem heeft bij uitspraak van 20 oktober 2003 (02/2717 ZW) het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. Namens appellant is mr. J. Berendsen, advocaat te Nijmegen, op bij beroepschrift aangevoerde gronden van die uitspraak in hoger beroep gekomen. Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend. Het geding is behandeld ter zitting van de Raad op 20 juli 2005, waar appellant in persoon is verschenen, bijgestaan door mr. Berendsen, voornoemd, en waar gedaagde zich niet heeft doen vertegenwoordigen. II. MOTIVERING In dit geding is aan de orde de vraag of aan appellant terecht met ingang van 19 augustus 2002 geen ziekengeld meer is toegekend. De Raad heeft terzake het volgende overwogen. Appellant is werkzaam geweest als meubelspuiter en is in 1988 arbeidsongeschikt geworden wegens klachten van de rechter knie. Hij ontving sinds 1 september 1998 een uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 15 tot 25%. Op 1 mei 2000 is appellant wegens duizeligheidsklachten en een ulcus duodeni uitgevallen voor zijn toenmalige werk als chauffeur bij een koeriersdienst. Hij is in februari 2001 gezien door een verzekeringsarts, die hem vanwege spanningsklachten niet geschikt achtte voor het rijden in een bestelbus. Appellant werd wel belastbaar achtte voor werk zonder voortdurend hoge tijdsdruk. Bij een arbeidskundige beoordeling zijn vervolgens functies geselecteerd, waarmee hij een zodanig inkomen kon verdienen dat hij bleef ingedeeld in de arbeidsongeschiktheidsklasse van 15 tot 25%. Met ingang van 28 november 2001 heeft appellant zich ziek gemeld in verband met een op handen zijnde hernia-operatie. Na die operatie, die op 27 februari 2002 plaats vond, is appellant op 18 juni 2002 gezien door een verzekeringsarts. Op dit spreekuur is aan de orde geweest dat het ging om een herniaoperatie op niveau L5-S1, maar dat appellant inmiddels ook klachten had van een hernia op niveau L4-L
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.