E N K E L V O U D I G E K A M E R 03/6374 WAO U I T S P R A A K in het geding tussen: [appellant], wonende te [woonplaats], appellant, en de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, gedaagde. I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING Bij brief van 29 mei 2002 is appellant vanwege gedaagde in kennis gesteld van een ten aanzien van hem genomen besluit (hierna: het bestreden besluit) ter uitvoering van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO). De rechtbank 's-Hertogenbosch heeft bij uitspraak van 17 november 2003 (AWB 02/1650 WAO) het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. Namens appellant is mr. N.C.A. Boots, werkzaam bij Rechtshulp Zuid-Oost Nederland, op bij aanvullend beroepsschrift aangevoerde gronden van die uitspraak in hoger beroep gekomen. Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend. Het geding is ter behandeling aan de orde gesteld ter zitting van de Raad van 20 juli 2005, waar partijen niet zijn verschenen. II. MOTIVERING De Raad gaat uit van de feiten en omstandigheden die in de aangevallen uitspraak als volgt zijn weergegeven (partijen zijn daarbij aangeduid als eiser en verweerder): " Eiser is vanaf 16 februari 1998 werkzaam geweest als uitbener via APS uitzendbureau. Op 15 april 1998 is hij uitgevallen wegens hoofdpijnklachten. Eiser heeft op 13 april 1999 een uitkering ingevolge de WAO aangevraagd. Bij besluit van 13 juli 1999 heeft verweerder een voorschot aan eiser toegekend, gebaseerd op een arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%. Daarbij is aan eiser meegedeeld dat het verstrekken van het voorschot niet betekent dat zijn recht op een uitkering ingevolge de WAO vaststaat en dat de voorschotten na het besluit omtrent de uitkering zullen worden teruggevorderd dan wel verrekend. Verweerder heeft eiser bij brief van 27 maart 2000 meegedeeld dat zijn verlies aan verdienvermogen nihil is, waarbij een arbeidsongeschiktheidsklasse van minder dan 15% hoort. In die brief raadt verweerder eiser aan om onmiddellijk een werkloosheidsuitkering aan te vragen. Bij besluit van 9 juni 2000 heeft verweerder geweigerd eiser met ingang van 13 april 1999 een uitkering ingevolge de WAO toe te kennen. Eiser heeft tegen dat besluit geen rechtsmiddelen ingesteld." Bij besluit van 15 oktober 2001 heeft gedaagde aan appellant meegedeeld dat de over de periode van 14 april 1999 tot en met 30 juni 2000 bij wijze van voorschot betaalde uitkering ingevolge de WAO ten bedrage van f. 26.723,41 van hem werd teruggevorderd. Bij het bestreden besluit is het bezwaar tegen voormeld besluit ongegrond verklaard. De rechtbank heeft het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard en daarbij het volgende overwogen: " Vooropgesteld moet worden dat eiser geen rechtsmiddelen heeft ingesteld tegen het besluit van 9 juni 2000 van verweerder om aan eiser geen uitkering ingevolge de WAO toe te kennen. Dat besluit is dan ook onherroepelijk geworden en daarmee staat vast dat het aan eiser verstrekte voorschot onverschuldigd is betaald. Gelet op artikel 57, eerste lid, van de WAO is verweerder dan in beginsel verplicht het onverschuldigd betaalde bedrag van eiser terug te vorderen. Het gegeven dat het geruime tijd heeft geduurd alvorens verweerder heeft beslist op de aanvraag voor een WAO-uitkering en alvorens verweerder is overgegaan tot terugvordering, leidt er niet toe dat terugvordering in strijd komt met het rechtszekerheid- danwel vertrouwensbeginsel. Aan eiser kan worden toegegeven dat de omstandigheid dat verweerder ruim een jaar heeft laten verstrijken na de beslissing omtrent het recht op uitkering alvorens de voorschotten terug te vorderen niet gelukkig kan worden genoemd. Eiser wist echter, althans behoorde te weten dat de aan hem uitgekeerde bedragen voorschotbetalingen betroffen en dat deze van hem teruggevorderd zouden worden indien zijn recht op een uitkering ingevolge de WAO niet vast zou komen te staan. Dit is immers vermeld in het besluit van 13 juli 1999 waarin het voorschot aan hem wordt toegekend. Dat verweerder dit niet meer heeft meegedeeld in het besluit omtrent zijn recht op een WAO-uitkering d.d. 9 juni 2000, doet daaraan niet af. De voorschotbetalingen zijn ook daadwerkelijk gestopt spoedig na de beslissing van 9 juni
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.