E N K E L V O UD I G E K A M E R 04/3140 AKW U I T S P R A A K in het geding tussen: [appellante], wonende te [woonplaats], Verenigde Staten, appellante, en de Raad van bestuur van de Sociale verzekeringsbank, gedaagde. I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING Appellante is op bij beroepschrift aangevoerde gronden in hoger beroep gekomen van de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 28 april 2004, nr. AWB 03/4589 AKW, waarnaar hierbij wordt verwezen. Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend. Het geding is behandeld ter zitting van de Raad, gehouden op 14 juli 2005, waar appellante – zoals tevoren bericht – niet is verschenen en waar gedaagde zich heeft laten vertegenwoordigen door mr. P.C.J. van de Nes, werkzaam bij de Sociale verzekeringsbank. II. MOTIVERING Bij besluit van 6 januari 2003 heeft gedaagde aan appellante medegedeeld dat appellante met ingang van het derde kwartaal van 2001 recht heeft op kinderbijslag ten behoeve van haar kind Jeroen. Appellantes bezwaar tegen dit besluit is bij besluit van 26 augustus 2003 ongegrond verklaard. Bij brief gedateerd 1 oktober 2003 en door de rechtbank ontvangen op 9 oktober 2003, heeft appellante tegen het besluit van 26 augustus 2003 beroep ingesteld. Uit de poststempel op de enveloppe is gebleken dat de brief op 8 oktober 2003 in Den Haag ter post is bezorgd. De rechtbank heeft het beroep van appellante niet-ontvankelijk verklaard omdat het beroepschrift niet tijdig is ingediend. Voorts is de rechtbank niet gebleken van omstandigheden op grond waarvan redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat appellante in verzuim is geweest. In hoger beroep heeft appellante onder andere het volgende aangevoerd. “Mijn correspondentie vanuit [woonplaats] met Nederland geschiedt door middel van de diplomatieke koerier van het Ministerie van Buitenlandse Zaken via de Permanente Vertegenwoordiging van het Koninkrijk der Nederlanden bij de Verenigde Naties in [woonplaats]. Het door mij ingestelde beroep met dagtekening 1 oktober 2003 is op donderdag 2 oktober 2003 bij deze Permanente Vertegenwoordiging aangeleverd en vervolgens met de diplomatieke koerier van de volgende vrijdagmorgen 3 oktober 2003 naar Nederland verzonden. Daarbij mag er normaal gesproken van worden uitgegaan dat de koerier op maandag 6 oktober wordt uitgepakt en de poststukken dezelfde dag worden doorgezonden naar hun definitieve bestemming. Ik ging er dan ook vanuit dat mijn beroepschrift u op 7 oktober 2003 zou hebben bereikt. Dat laatste is kennelijk niet gebeurd. Helaas heb ik op een dergelijke ongebruikelijke gang van zaken geen invloed. Ik meen dat er van mijn kant geen sprake is geweest van verzuim.” De Raad overweegt als volgt. De termijn voor het indienen van een beroepschrift tegen een besluit bedraagt ingevolge artikel 6:7 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) zes weken. Deze termijn vangt ingevolge artikel 6:8, eerste lid, van de Awb aan met ingang van de dag na die waarop het besluit op de voorgeschreven wijze is bekendgemaakt. Een beroepschrift is ingevolge artikel 6:9, eerste lid, van de Awb tijdig ingediend indien het voor het einde van de termijn is ontvangen. Bij verzending per post is ingevolge het tweede lid van die bepaling een beroepschrift tijdig ingediend indien het voor het einde van de termijn ter post is bezorgd, mits het niet later dan een week na afloop van die termijn is ontvangen. Het bestreden besluit is, afgaande op de stukken en tussen partijen overigens ook niet in geschil zijnde, op 26 augustus 2003 aan appellante verzonden. De termijn voor indiening van een beroepschrift ving derhalve aan op 27 augustus 2003 en eindigde op 7 oktober
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.